Een paar weken geleden, het was nog geen voorjaar, maar wel zonnig, liep ik van Amsterdam Centraal Station richting het Oosterdok. Op dit traject heb ik bijna altijd haast en om een paar sekonden te winnen snijd ik dan elk mogelijk stuk af. Zo ook bewuste dag. En terwijl ik met radde tred aan links de fietsenstalling voorbijbeende herkende ik opeens de laatmiddelbare man die tien meter voor mij zijn fiets aan het vastketenen was.
Gebogen en naar de grond starend stond daar Job Cohen. Hij had de klap van het falen van zijn nationale politieke carriere ogenschijnlijk nog niet verwerkt. Onberispelijk gekleed als altijd stond hij daar – zwarte mantel, rode das. Gebogen. Ik had met hem te doen.
Mijn geheugen blikte terug. Hij was eens bij een concert geweest waar ik zong. Rechts naast hem, hij zat op de eerste rij, zat een grijze vrouw in een rolstoel. Af en toe keek hij naar haar. Achteraf vertelde men mij dat dat zijn vrouw is. Ik was enigszins verbaasd. Ze hielden beide van muziek en musea. Ook van hedendaagse componisten.
Cohen is in mijn ogen een goed man, een nobele ziel. Eentje van het zwaarste kaliber. Sinds jaar en dag zorgt hij voor zijn zieke vrouw, ik meen dat ze aan MS lijdt, werkt hij zich in het zweet voor de burger als staatssecretaris, als burgemeester en tot voor kort als voorman van de Partij van de Arbeid.
Het schijnt mij toe dat hij niet maalt om macht, maar dat zal te naïef zijn. Feit is dat hij altijd blijft zorgen voor zijn hulpbehoevende vrouw... en ik twijfel er niet aan of de frisse alternatieven zullen zich aan de lopende band aan hem aanbieden. Tot voor kort in ieder geval.
Gebroken stond de goede man daar. Ik wilde hem vertellen dat met zijn vertrek het laatste beetje fatsoen uit de nationale politiek verdwenen was; hem toebijten dat hij geen sekonde zijn ogen mocht neerslaan; dat het enkel te prezen viel dat hij tegen de aanvallen Rutger Castricum ogenschijnlijk geen verweer had.
De beelden van de ‘interviews’ van deze ploert zijn rijkelijk voorhanden op youtube. Soms is het vermakelijk, bijna altijd smakeloos. Mensen die niets te melden hebben laat hij praten, die met een boodschap valt hij in de rede en neemt hij triomfantelijk kijkend op de hak. Of beter, licht hij pootje. Powned! Lachuhh!
Ik wilde hem vertellen dat ik zijn vermoeidheid begreep, maar dat hij zich nu beaat en bevrijd door het leven kon bewegen. Bevrijd van alle idioten die zich bedienen van enkel oneliners en puntige prietpraat. Beaat lasteloos fluitend. Het was volbracht, immers. Een van te voren verloren zaak.
Een hart onder de riem. Dat had hij nodig, ik voelde het. Het mijne mocht hij hebben. Zijn vrouw heeft niets aan een gebroken man. Ik ademde diep in. ‘Wat als hij niet weet hoe hij moet reageren’ flitste het door mijn hoofd....
Ik liep voorbij. Keek hem recht aan, waarschijnlijk met de quasi-onderzoekende blik (ken ik jou?) die ik altijd opzet als ik een bekende Nederlander tegenkom – volledig geoorloofd bij Jan Jaap van der Wal en Hans Teeuwen, niet bij Finkers en Cohen. Mannen die je respectvol met meneer plus achternaam aanspreekt – maar zei niets.
Toen ik langs het bordje met de tekst van Simon Carmiggelt liep: links het nieuwe hotel, rechts het water en de Prins Hendrikkade had, ik spijt. Ik had mijn mond gehouden en er fout aan gedaan. Ik wist het. En ik wist wat Cohen voelde, nog beter dan doorvoor: zo voelde het om onder invloed van de media je sociale boodschap niet kwijt te kunnen.
maandag 23 april 2012
woensdag 24 augustus 2011
Roland
Roland Gisla was een kleine man. Onbeduidend, zo beschreef men hem in de stad wel. De enige tabakszaak die het stadje rijk was had Roland, tegen wil en dank, van zijn vader geërfd. Hoewel hij altijd een hekel had gehad aan tabakslucht en haar verspreiders – en zich liever verdiepte in de botanie – was er geen uitweg mogelijk. Zijn vader zou hem eigenhandig de keel afsnijden in het geval hij zijn erflot zou ontvluchten.
En zo werd Roland tabaksverkoper. Met een ongewenste, doch grote expertise binnen het vak voorzag hij zijn klanten, waarvan hij de meesten al jaren kende van pijp, sigaret, asbak en aansteker. Dat hij zijn afnemers norser bejegende dan de toiletjuffrouw van een tankstation haar broodgevers nam men voor lief. Al was Rolands afkeer voor zijn eigen handel een favoriet gespreksonderwerp binnen verstokte rokerskringen: de herenclub, de huisartsenvereniging en de straatprostituees.
De voorzitter van de herenclub in het bijzonder, hield er van de ongelukkige Roland nog meer te kwellen dan al het geval was. Dit deed hij door in geuren en kleuren te vertellen over de sensaties die die ene speciale sigaar hem laatst verschaft had... of door te demonstreren wat voor mooie wolkjes hij kon uitblazen – net voor de deur, want in de zaak van Roland werd niet gerookt.
Het kwellen van de ongelukkige eigenaar van ‘De Sigaar’, zoals de zaak nu dubbel toepasselijk heette, was niet enkel voorbehouden aan de herenvoorzitter. Ook de straatprostituees wisten Roland op de kast te krijgen. Niet door wolkjes te blazen of de sensaties van de tabak zelf te beschrijven, nee, zij deden dit door al zuchtend en steunend te verklaren dat alleen de beste sigaret voldeed voor het bekronen van het genot dat sommige klanten verschaften. (Roland, botanicus in hart en nieren – behalve waar het de tabaksplant betrof, uiteraard – had weinig op met de vleselijke lusten en gaf de voorkeur aan ongeslachtelijke voortplanting.)
Alsof dat nog niet genoeg was kwamen ook de huisartsen hem met enige regelmaat lastigvallen met hun verhalen. Hoewel zij toch beter zouden moeten weten zwoeren zij bij hoog en bij laag dat er veel minder kwaad school in dat plantje dan men beweerde. Bovendien was een goede sigaar de enige juiste voorbereiding op een injectie of een andere ingreep die een vaste hand vereiste.
Het laat ons geen twijfel dat Roland zich buiten werktijden het liefst bezighield met zijn ware passsie: de botanie. ’s Avonds zat hij gebogen over zijn boeken – waar de pagina’s met tabaksplanten vanzelfsprekend waren uitgescheurd. ’s Ochtends stond hij in alle vroegte in zijn tuin: te snoeien, te sproeien of zijn dierbaren zachtjes toe te fluisteren.
Hij had een bijzondere voorkeur voor giftige planten. Machtig en onaantastbaar schenen deze hem toe. Niet de meest dodelijke, nee, die planten die langzaam doodden, en zo met hun gif veel meer succes oogstten verdienden zijn grootste bewondering.
’s Zondags ging hij graag in de bossen op zoek naar nieuwe planten/exemplaren(2x) voor in zijn tuin. (Hoewel hij al een ogenschijnlijk oneindige variëiteit aan soorten in zijn tuin had gepoot vond hij bijna altijd wel een exemplaar dat hij nog niet had.) Elk nieuw exemplaar kreeg een week lang extra aandacht van hem. Hij fluisterde ze toe met nog meer tederheid en gaf ze water uit zijn beste regenton. Daarna bleef hij staan kijken tot de winkelbel de eerste klant aankondigde. Roland trok dan een nors gezicht en liep, al donker kijkend, naar binnen.
De voorzitter van de herenclub kwam niet meer. Hij had al hoestend zijn laatste mooie wolkje uitgeblazen en was met veel egards door de clubleden begraven.
Meteen na de plechtigheid barstte de diadogenoorlog los. Vier kandidaten dongen naar de troon. Uiteindelijk werd degene benoemd die de zwaarste sigaren rookte en de mooiste wolkjes blies. Alles bleef bij het oude.
Ook de oude prostituee die zo sappig kon vertellen over hoe ze aan haar trekken kwam vond Magere Hein op haar pad. De klant merkte het pas na afloop; toen ze niet meteen naar het nachtkastje greep om de geur van zweet en vaginaal vocht met dikke tabakswolken te verdrijven.
Voor haar moest een speciale kist gebouwd worden. De reden hiervoor was dat men haar benen niet meer bij elkaar kon krijgen. Om verdere kosten te besparen werd ze in een aan de voetenkant enigsins uitgediept graf gezet.
Ook onder de artsen waren slachtoffers te betreuren. De meesten vonden de dood vlak na of tijdens het toedienen van de meest pijnlijke injecties. De patiënten die het geluk hadden dat de dood na de prik kwam dachten stuk voor stuk iets in de trant van ‘Net goed!’, anderen hadden minder geluk en moesten met afgebroken naalden in arm of been de begrafenis bijwonen.
Daar geen enkele arts het meer aandurfde kleine ingrepen te doen en bovendien, door het gedecimeerde gilde, de wachtlijsten oneindig lang werden liep al gauw een groot deel van de stad voortdurend met een mitella of mank.
De lokale politie legde al snel een verband tussen het roken en de te betreuren doden. De beste rechercheurs echter, mochten graag hun zaken oplossen onder het genot van een sigaartje of pijp en zodoende kwam de ware toedracht nooit aan het licht.
De bevolking werd simpelweg geadviseerd het roken op te geven. Degenen die hier geen gehoor aan gaven... enfin, hun lot laat zich raden.
Nu de klandizie drastisch terugliep vond Roland eindelijk voldoende tijd o zijn geliefde tuin de aandacht te geven die deze verdiende. Men kon hem nu dagelijks kruiwagens vol planten uit het bos naar huis zien duwen.
Zijn plantjes bleken tot onmogelijke dingen in staat. Zo hebben we aan het onderzoek van de (nu) beroemde professor Gisla het ferrofluans-kruid te danken: een kruising tussen een brand- en een dovenetel die, wanneer als compres gebruikt, in staat is metalen die zich onder de huid bevinden te doen oplossen. Een vinding waarvoor alle patiënten van het uitgestorven artsengilde hem eeuwig dankbaar was.
Het was voor zijn onderzoek naar de tixiciteit van tabak echter dat hij zijn eredoctoraat van de universiteit ontving. Het bewijs van zijn bevindingen vormde zijn eigen stad: nadat de inwoners het roken hadden opgegeven en de laatste volhouders de pijp aan maarten hadden overhandigd had de bevolking al gauw de hoogste levensverwachting van het hele land.
En hoewel men nog lange tijd fluisterde dat de professor de tabak uit zijn eigen winkel had vergiftigd werd daarvoor nooit enig bewijs gevonden.
En de winkel? Die werd omgedoopt tot ‘Het Snoeimes’ en groeide uit tot het eerste tencentrum ter wereld.
En zo werd Roland tabaksverkoper. Met een ongewenste, doch grote expertise binnen het vak voorzag hij zijn klanten, waarvan hij de meesten al jaren kende van pijp, sigaret, asbak en aansteker. Dat hij zijn afnemers norser bejegende dan de toiletjuffrouw van een tankstation haar broodgevers nam men voor lief. Al was Rolands afkeer voor zijn eigen handel een favoriet gespreksonderwerp binnen verstokte rokerskringen: de herenclub, de huisartsenvereniging en de straatprostituees.
De voorzitter van de herenclub in het bijzonder, hield er van de ongelukkige Roland nog meer te kwellen dan al het geval was. Dit deed hij door in geuren en kleuren te vertellen over de sensaties die die ene speciale sigaar hem laatst verschaft had... of door te demonstreren wat voor mooie wolkjes hij kon uitblazen – net voor de deur, want in de zaak van Roland werd niet gerookt.
Het kwellen van de ongelukkige eigenaar van ‘De Sigaar’, zoals de zaak nu dubbel toepasselijk heette, was niet enkel voorbehouden aan de herenvoorzitter. Ook de straatprostituees wisten Roland op de kast te krijgen. Niet door wolkjes te blazen of de sensaties van de tabak zelf te beschrijven, nee, zij deden dit door al zuchtend en steunend te verklaren dat alleen de beste sigaret voldeed voor het bekronen van het genot dat sommige klanten verschaften. (Roland, botanicus in hart en nieren – behalve waar het de tabaksplant betrof, uiteraard – had weinig op met de vleselijke lusten en gaf de voorkeur aan ongeslachtelijke voortplanting.)
Alsof dat nog niet genoeg was kwamen ook de huisartsen hem met enige regelmaat lastigvallen met hun verhalen. Hoewel zij toch beter zouden moeten weten zwoeren zij bij hoog en bij laag dat er veel minder kwaad school in dat plantje dan men beweerde. Bovendien was een goede sigaar de enige juiste voorbereiding op een injectie of een andere ingreep die een vaste hand vereiste.
Het laat ons geen twijfel dat Roland zich buiten werktijden het liefst bezighield met zijn ware passsie: de botanie. ’s Avonds zat hij gebogen over zijn boeken – waar de pagina’s met tabaksplanten vanzelfsprekend waren uitgescheurd. ’s Ochtends stond hij in alle vroegte in zijn tuin: te snoeien, te sproeien of zijn dierbaren zachtjes toe te fluisteren.
Hij had een bijzondere voorkeur voor giftige planten. Machtig en onaantastbaar schenen deze hem toe. Niet de meest dodelijke, nee, die planten die langzaam doodden, en zo met hun gif veel meer succes oogstten verdienden zijn grootste bewondering.
’s Zondags ging hij graag in de bossen op zoek naar nieuwe planten/exemplaren(2x) voor in zijn tuin. (Hoewel hij al een ogenschijnlijk oneindige variëiteit aan soorten in zijn tuin had gepoot vond hij bijna altijd wel een exemplaar dat hij nog niet had.) Elk nieuw exemplaar kreeg een week lang extra aandacht van hem. Hij fluisterde ze toe met nog meer tederheid en gaf ze water uit zijn beste regenton. Daarna bleef hij staan kijken tot de winkelbel de eerste klant aankondigde. Roland trok dan een nors gezicht en liep, al donker kijkend, naar binnen.
De voorzitter van de herenclub kwam niet meer. Hij had al hoestend zijn laatste mooie wolkje uitgeblazen en was met veel egards door de clubleden begraven.
Meteen na de plechtigheid barstte de diadogenoorlog los. Vier kandidaten dongen naar de troon. Uiteindelijk werd degene benoemd die de zwaarste sigaren rookte en de mooiste wolkjes blies. Alles bleef bij het oude.
Ook de oude prostituee die zo sappig kon vertellen over hoe ze aan haar trekken kwam vond Magere Hein op haar pad. De klant merkte het pas na afloop; toen ze niet meteen naar het nachtkastje greep om de geur van zweet en vaginaal vocht met dikke tabakswolken te verdrijven.
Voor haar moest een speciale kist gebouwd worden. De reden hiervoor was dat men haar benen niet meer bij elkaar kon krijgen. Om verdere kosten te besparen werd ze in een aan de voetenkant enigsins uitgediept graf gezet.
Ook onder de artsen waren slachtoffers te betreuren. De meesten vonden de dood vlak na of tijdens het toedienen van de meest pijnlijke injecties. De patiënten die het geluk hadden dat de dood na de prik kwam dachten stuk voor stuk iets in de trant van ‘Net goed!’, anderen hadden minder geluk en moesten met afgebroken naalden in arm of been de begrafenis bijwonen.
Daar geen enkele arts het meer aandurfde kleine ingrepen te doen en bovendien, door het gedecimeerde gilde, de wachtlijsten oneindig lang werden liep al gauw een groot deel van de stad voortdurend met een mitella of mank.
De lokale politie legde al snel een verband tussen het roken en de te betreuren doden. De beste rechercheurs echter, mochten graag hun zaken oplossen onder het genot van een sigaartje of pijp en zodoende kwam de ware toedracht nooit aan het licht.
De bevolking werd simpelweg geadviseerd het roken op te geven. Degenen die hier geen gehoor aan gaven... enfin, hun lot laat zich raden.
Nu de klandizie drastisch terugliep vond Roland eindelijk voldoende tijd o zijn geliefde tuin de aandacht te geven die deze verdiende. Men kon hem nu dagelijks kruiwagens vol planten uit het bos naar huis zien duwen.
Zijn plantjes bleken tot onmogelijke dingen in staat. Zo hebben we aan het onderzoek van de (nu) beroemde professor Gisla het ferrofluans-kruid te danken: een kruising tussen een brand- en een dovenetel die, wanneer als compres gebruikt, in staat is metalen die zich onder de huid bevinden te doen oplossen. Een vinding waarvoor alle patiënten van het uitgestorven artsengilde hem eeuwig dankbaar was.
Het was voor zijn onderzoek naar de tixiciteit van tabak echter dat hij zijn eredoctoraat van de universiteit ontving. Het bewijs van zijn bevindingen vormde zijn eigen stad: nadat de inwoners het roken hadden opgegeven en de laatste volhouders de pijp aan maarten hadden overhandigd had de bevolking al gauw de hoogste levensverwachting van het hele land.
En hoewel men nog lange tijd fluisterde dat de professor de tabak uit zijn eigen winkel had vergiftigd werd daarvoor nooit enig bewijs gevonden.
En de winkel? Die werd omgedoopt tot ‘Het Snoeimes’ en groeide uit tot het eerste tencentrum ter wereld.
vrijdag 31 december 2010
Zalig uiteinde
Tien! Negen! Acht! Zeven! Zes! Vijf! Vier! Drie! Twee! Eén! Gelukkig nieuwjaaaaar!! Een oorverdovend lawaai barst los, de hemel licht op in alle kleuren van de regenboog. Champagne guts over de randen van de glazen, mensen verdringen zich om haar driemaal te zoenen. Ze lacht. Luid. Ze wist zelf ook niet waarom.
De avond was al vroeg begonnen. Rond een uur of acht was ze door de stille mistige straten naar het huis van één van haar vriendinnen gefietst voor de oliebollen en de oudejaarsconference. De druppeltjes stonden als koude herfstdauw in haar zwarte wenkbrauwen.
Toen ze binnenkwam had een van de aanwezigen opgemerkt dat het net leek alsof ze door de grachten was komen zwemmen, zo nat was ze.
Ze keek de kamer rond. De stemming zat er al goed in. De eerste lege flessen bubbelwijn stonden op de hoek van het aanrecht. De grond lag bezaaid met kringen poedersuiker, hier en daar een kon je uitglijden over een platgestampt stuk meel met of zonder krenten. De tv die op vol volume stond te loeien werd overstemd door de geanimeerde gesprekken die de ruimte volledig vulden.
Ze had haar vochtige jas nog niet uit of ze kreeg in haar ene hand een oliebol en in de andere een goedgevulde champagneflute geduwd. Iedereen lachte hard. Ze had waarschijnlijk de beste grap van de avond gemist.
Tegen twaalven gingen ze de straat op. De grote bult zwarte jassen werd door vele handen zorgvuldig doorwoeld op zoek naar de eigen winterwarmer. Zij wachtte rustig af. Inderdaad kwam na enkele ogenblikken haar indigoblauwe exemplaar naar boven, nog steeds een beetje vochtig van de mist.
Op straat stonden verschillende groepjes mensen te wachten tot bij het aanbreken van het nieuwe jaar het startschot zou worden geven voor enthousiaste zoenpartijen met onbekende buren. Ondertussen werden er wat verkleumde zinnen uitgesproken als ‘laat dat nieuwe jaar maar komen’, ‘ik hoop dat het in het nieuwe jaar wat minder koud is’ of ‘komt er nog wat van!’
Een nieuw jaar is als een tsunami. Het komt niet sneller, noch langzamer. Het komt vanzelf.
Het nieuwe jaar was daar en het was alsof de Eerste Wereldoorlog opnieuw was uitgebroken. Met dit verschil dat de strijd die vanuit de loopgraven van de stad werd gevoerd zich niet in horizontale maar in verticale richting manifesteerde. Door de steeds dichter wordende mist kwamen de schimmen aangelopen, sommigen zich vooruit haastend, anderen reeds zwalkend als een schip. Tussen de tweede en de derde klapzoen van een naar bier ruikende buurman door zag ze een bekende gestalte de mist uit komen fietsen.
‘Anna!’ Riep ze de straat over. Anna stopte. ‘Myra’ riep ze terug. Hoe is het. ‘Goed’ riep Myra, terwijl ze snel de straat overstak.
Het volgende moment zag ze al haar vroegste herinneringen weer voor zich. Hoe ze met Anna de tuin van de buren inslopen om de buurman met zijn treintjesverzameling te zien spelen. Hoe ze hun eerste verliefdheden aan elkaar onthulden. Zij was op Paul, omdat hij zo’n stoere blauwe trui had. Hoe ze samen naar het meertje in de buurt fietsten om daar een hele dag in de zon te liggen luieren. Hoe ze samen hun eerste string kochten... Nog veel meer herinneringen verschenen haar voor het geestesoog. Ze lachte. Ze voelde zich licht worden van geluk.
En terwijl de veldslag tegen het hemelgewelf onverminderd doorging was het in de nauwe straat doodstil geworden. Myra’s vriendinnen staarden lijkbleek naar de besmeurde blauwe jas op de grond terwijl de chauffeur van de grote grijze Mercedes, die met een rotgang uit de mist was komen opdoemen wanhopig naar boven keek: ‘Ik had haar echt niet gezien’.
De avond was al vroeg begonnen. Rond een uur of acht was ze door de stille mistige straten naar het huis van één van haar vriendinnen gefietst voor de oliebollen en de oudejaarsconference. De druppeltjes stonden als koude herfstdauw in haar zwarte wenkbrauwen.
Toen ze binnenkwam had een van de aanwezigen opgemerkt dat het net leek alsof ze door de grachten was komen zwemmen, zo nat was ze.
Ze keek de kamer rond. De stemming zat er al goed in. De eerste lege flessen bubbelwijn stonden op de hoek van het aanrecht. De grond lag bezaaid met kringen poedersuiker, hier en daar een kon je uitglijden over een platgestampt stuk meel met of zonder krenten. De tv die op vol volume stond te loeien werd overstemd door de geanimeerde gesprekken die de ruimte volledig vulden.
Ze had haar vochtige jas nog niet uit of ze kreeg in haar ene hand een oliebol en in de andere een goedgevulde champagneflute geduwd. Iedereen lachte hard. Ze had waarschijnlijk de beste grap van de avond gemist.
Tegen twaalven gingen ze de straat op. De grote bult zwarte jassen werd door vele handen zorgvuldig doorwoeld op zoek naar de eigen winterwarmer. Zij wachtte rustig af. Inderdaad kwam na enkele ogenblikken haar indigoblauwe exemplaar naar boven, nog steeds een beetje vochtig van de mist.
Op straat stonden verschillende groepjes mensen te wachten tot bij het aanbreken van het nieuwe jaar het startschot zou worden geven voor enthousiaste zoenpartijen met onbekende buren. Ondertussen werden er wat verkleumde zinnen uitgesproken als ‘laat dat nieuwe jaar maar komen’, ‘ik hoop dat het in het nieuwe jaar wat minder koud is’ of ‘komt er nog wat van!’
Een nieuw jaar is als een tsunami. Het komt niet sneller, noch langzamer. Het komt vanzelf.
Het nieuwe jaar was daar en het was alsof de Eerste Wereldoorlog opnieuw was uitgebroken. Met dit verschil dat de strijd die vanuit de loopgraven van de stad werd gevoerd zich niet in horizontale maar in verticale richting manifesteerde. Door de steeds dichter wordende mist kwamen de schimmen aangelopen, sommigen zich vooruit haastend, anderen reeds zwalkend als een schip. Tussen de tweede en de derde klapzoen van een naar bier ruikende buurman door zag ze een bekende gestalte de mist uit komen fietsen.
‘Anna!’ Riep ze de straat over. Anna stopte. ‘Myra’ riep ze terug. Hoe is het. ‘Goed’ riep Myra, terwijl ze snel de straat overstak.
Het volgende moment zag ze al haar vroegste herinneringen weer voor zich. Hoe ze met Anna de tuin van de buren inslopen om de buurman met zijn treintjesverzameling te zien spelen. Hoe ze hun eerste verliefdheden aan elkaar onthulden. Zij was op Paul, omdat hij zo’n stoere blauwe trui had. Hoe ze samen naar het meertje in de buurt fietsten om daar een hele dag in de zon te liggen luieren. Hoe ze samen hun eerste string kochten... Nog veel meer herinneringen verschenen haar voor het geestesoog. Ze lachte. Ze voelde zich licht worden van geluk.
En terwijl de veldslag tegen het hemelgewelf onverminderd doorging was het in de nauwe straat doodstil geworden. Myra’s vriendinnen staarden lijkbleek naar de besmeurde blauwe jas op de grond terwijl de chauffeur van de grote grijze Mercedes, die met een rotgang uit de mist was komen opdoemen wanhopig naar boven keek: ‘Ik had haar echt niet gezien’.
woensdag 3 november 2010
Herfstdag
Zodra ik de hoek om draai snijdt de oktoberstorm me de adem af. Naar lucht happend zoekt mijn hoofd dekking tussen mijn schouders. Hoewel ik met mijn volle gewicht op de trappers sta zijn de kinderkopjes onder mij stuk voor stuk te onderscheiden. Een bruinrood beukenblad dat mij in het gezicht slaat lijkt me de das om te doen, maar op het laatste moment stroomt de zuurstof mijn longen in, zakt mijn lichaam met zijn volle gewicht naar beneden en vervagen de individuele kinderkopjes onder mij weer tot de gebruikelijke grijze massa. Ik fiets luid zingend verder. Zephyros heeft het nakijken en stort zich achter mij op een volgend haastig slachtoffer.
De herfst is in zijn volle hevigheid losgebarsten. Nu de gemiddelde costabezoeker zijn bruine kleurtje al lang heeft moeten inruilen voor de TL-tint van de veertiguurseconomie lijkt het pigment van de bladeren aan de bomen eindelijk te zijn bezweken voor de ongenadige invloeden van een zomer lang zon.
Ik hou van de herfst. Ik hou van de tunnels van schilderachtigheid die met al hun pracht en praal de zomer in de schaduw van de herinnering doen vervagen. Want dat is wat de herfst in al zijn essentie is; het tijdperk van de herinnering. Terwijl de najaarsstormen om je heen razen, de regen tegen de ruiten slaat en je meewarig naar de zich vooruitvechtende voorbijgangers zit te kijken komen de beste herinneringen boven.
Een eenzame strandwandeling biedt gelegenheid te over om bij het oorverdovende kabaal van de beukende noordzeegolven de mooiste klanken uit het verleden te doen weergalmen. Begeleid door de herinneringen van enkele maanden oude zomerliefdes die mij links en rechts voorbijlopen denk ik aan vrouwen die ik gekend heb, innige geluksmomenten op, in en bij het water, voorbije vakanties met vrienden en nog te realiseren toekomstplannen...
Mijn oog valt op een andere eenzame ziel. Een middelbare vrouw staat als op een 19e eeuws schilderij naar de horizon te turen. Ik blijf enkele meters achter haar staan en speur de horizon af op zoek naar wat haar blik zo vast gevangen lijkt te houden. Ondertussen spoelt het water, een wit spoor trekkend, om haar voeten, slaat haar zwarte haar tegen haar schouders... zij blijft doodstil staan.
Tussen ons en de horizon liggen enkele zeeschepen, staat een booreiland het potentieel van de aarde om te zetten in economische groei en drijven enkele kok-, zilver- en mantelmeeuwen op de wind heen en weer. Ik zie ‘het’ niet en loop verder. Zij blijft staan.
Het koude zand, het ijzige water en de westenwind hebben al het gevoel uit mijn voeten verdreven. Toch lijk ik meer te voelen dan anders. Een religieus aandoend bewustzijn overvalt me. Ik denk terug aan hoe ik eens na een concert, met Bachs devotie nog in mijn hoofd en mijn zwarte pak nog aan door een vrouw met de kleuren en de geur van de herfst werd meegevraagd naar huis. Ze bleek net zo grillig als het seizoen dat ze belichaamde: stralend als de mooiste septemberzon en weerbarstig als de ergste novemberstorm. Het is nooit wat geworden.
Het volgende moment zet ik mijzelf terug op het houten achterdek van een geankerd zeiljacht. Ik zie de zon in de zee zakken en heb het idee dat ik de essentie van het leven aan het ontrafelen ben. Nadat de zon allang onder de kim verdwenen was kwam ik tot de conclusie dat de essentie van het leven net zo ontrafelbaar was als de Gordiaanse knoop van Alexander de Grote. Weer op het strand denk ik aan de plundering van Persepolis, de pracht die in vlammen opging en door het gedonder en geraas waarmee het paleis ineenstort realiseer ik me dat ik trek heb. Met een waterig winterzonnetje en de al iets afgenomen wind in het gezicht loop ik terug. De starende vrouw is verdwenen.
Terugkeren in de bewoonde wereld is enigszins een teleurstelling. De slagregens hebben zich verenigd met de rukwinden en de al invallende duisternis in een driebond van koude en maken het er niet beter op. Met mijn kraag opgetrokken, en god zij dank de wind in de rug raas ik terug naar huis – zonder enige notie te nemen van de onaflatende stroom slachtoffers van het trekgat waar ik eerder vandaag zelf bijna het onderspit moest delven.
Thuis. Warm en droog. Eerst muziek, dan eten. Iets uit de romantiek, liefst met een dramatische sopraan. Er gaat niets boven koken met de klaterende regen op het dak en de kristalheldere klanken van Joyce Didonato er onder.
Als mijn gast vertrokken is zit ik met het laatste glas wijn in de hand uit het raam te staren. Het leed van de voorbijgangers buiten maakt dat ik mij nog comfortabeler voel dan ik al deed.
Om zijn gasten te plezieren huurde Charles Dickens naar verluid armen in om voor het raam ‘brrr’ te doen. Het edele volk binnen zou de warme wijn en de brandende haard, om nog maar te zwijgen van het gezelschap van de goede gastheer zelf, dan beter weten te waarderen. Ik kan het me levendig voorstellen.
Ik denk terug aan mijn wandeling van vanmiddag. Aan de vrouw die als een eigentijdse Alcyone in de verte stond te turen. Zou haar man op zee zetten?
Als de echo van Joyce al lang is verstomd, de wijn opgedronken en ik lichtelijk beneveld in mijn bed lig denk ik nog eens aan de plaats waar zij had gestaan. En terwijl de slaap mij langzaam maar zeker meevoert naar de onpeilbare diepten van de nacht is het laatste dat mij voor de geest komt een klein blauw vogeltje dat over de toppen van de wit schuimende branding scheert.
De Groene Groninger, 2010.
De herfst is in zijn volle hevigheid losgebarsten. Nu de gemiddelde costabezoeker zijn bruine kleurtje al lang heeft moeten inruilen voor de TL-tint van de veertiguurseconomie lijkt het pigment van de bladeren aan de bomen eindelijk te zijn bezweken voor de ongenadige invloeden van een zomer lang zon.
Ik hou van de herfst. Ik hou van de tunnels van schilderachtigheid die met al hun pracht en praal de zomer in de schaduw van de herinnering doen vervagen. Want dat is wat de herfst in al zijn essentie is; het tijdperk van de herinnering. Terwijl de najaarsstormen om je heen razen, de regen tegen de ruiten slaat en je meewarig naar de zich vooruitvechtende voorbijgangers zit te kijken komen de beste herinneringen boven.
Een eenzame strandwandeling biedt gelegenheid te over om bij het oorverdovende kabaal van de beukende noordzeegolven de mooiste klanken uit het verleden te doen weergalmen. Begeleid door de herinneringen van enkele maanden oude zomerliefdes die mij links en rechts voorbijlopen denk ik aan vrouwen die ik gekend heb, innige geluksmomenten op, in en bij het water, voorbije vakanties met vrienden en nog te realiseren toekomstplannen...
Mijn oog valt op een andere eenzame ziel. Een middelbare vrouw staat als op een 19e eeuws schilderij naar de horizon te turen. Ik blijf enkele meters achter haar staan en speur de horizon af op zoek naar wat haar blik zo vast gevangen lijkt te houden. Ondertussen spoelt het water, een wit spoor trekkend, om haar voeten, slaat haar zwarte haar tegen haar schouders... zij blijft doodstil staan.
Tussen ons en de horizon liggen enkele zeeschepen, staat een booreiland het potentieel van de aarde om te zetten in economische groei en drijven enkele kok-, zilver- en mantelmeeuwen op de wind heen en weer. Ik zie ‘het’ niet en loop verder. Zij blijft staan.
Het koude zand, het ijzige water en de westenwind hebben al het gevoel uit mijn voeten verdreven. Toch lijk ik meer te voelen dan anders. Een religieus aandoend bewustzijn overvalt me. Ik denk terug aan hoe ik eens na een concert, met Bachs devotie nog in mijn hoofd en mijn zwarte pak nog aan door een vrouw met de kleuren en de geur van de herfst werd meegevraagd naar huis. Ze bleek net zo grillig als het seizoen dat ze belichaamde: stralend als de mooiste septemberzon en weerbarstig als de ergste novemberstorm. Het is nooit wat geworden.
Het volgende moment zet ik mijzelf terug op het houten achterdek van een geankerd zeiljacht. Ik zie de zon in de zee zakken en heb het idee dat ik de essentie van het leven aan het ontrafelen ben. Nadat de zon allang onder de kim verdwenen was kwam ik tot de conclusie dat de essentie van het leven net zo ontrafelbaar was als de Gordiaanse knoop van Alexander de Grote. Weer op het strand denk ik aan de plundering van Persepolis, de pracht die in vlammen opging en door het gedonder en geraas waarmee het paleis ineenstort realiseer ik me dat ik trek heb. Met een waterig winterzonnetje en de al iets afgenomen wind in het gezicht loop ik terug. De starende vrouw is verdwenen.
Terugkeren in de bewoonde wereld is enigszins een teleurstelling. De slagregens hebben zich verenigd met de rukwinden en de al invallende duisternis in een driebond van koude en maken het er niet beter op. Met mijn kraag opgetrokken, en god zij dank de wind in de rug raas ik terug naar huis – zonder enige notie te nemen van de onaflatende stroom slachtoffers van het trekgat waar ik eerder vandaag zelf bijna het onderspit moest delven.
Thuis. Warm en droog. Eerst muziek, dan eten. Iets uit de romantiek, liefst met een dramatische sopraan. Er gaat niets boven koken met de klaterende regen op het dak en de kristalheldere klanken van Joyce Didonato er onder.
Als mijn gast vertrokken is zit ik met het laatste glas wijn in de hand uit het raam te staren. Het leed van de voorbijgangers buiten maakt dat ik mij nog comfortabeler voel dan ik al deed.
Om zijn gasten te plezieren huurde Charles Dickens naar verluid armen in om voor het raam ‘brrr’ te doen. Het edele volk binnen zou de warme wijn en de brandende haard, om nog maar te zwijgen van het gezelschap van de goede gastheer zelf, dan beter weten te waarderen. Ik kan het me levendig voorstellen.
Ik denk terug aan mijn wandeling van vanmiddag. Aan de vrouw die als een eigentijdse Alcyone in de verte stond te turen. Zou haar man op zee zetten?
Als de echo van Joyce al lang is verstomd, de wijn opgedronken en ik lichtelijk beneveld in mijn bed lig denk ik nog eens aan de plaats waar zij had gestaan. En terwijl de slaap mij langzaam maar zeker meevoert naar de onpeilbare diepten van de nacht is het laatste dat mij voor de geest komt een klein blauw vogeltje dat over de toppen van de wit schuimende branding scheert.
De Groene Groninger, 2010.
zaterdag 25 september 2010
Lucie Vera
Op de steppes van Oostelijk Europa leefde eens de familie Brkód. De Brkóds waren welgesteld en bezaten vele landerijen die rijkelijk graan, wol en vlees opbrachten. Bovendien was het landgoed gelegen aan een beek die als energiebron voor de molen diende en in zilverheid alleen werd overtroffen door de oogverblindend schitterende vissen die de nooit tevergeefs wachtende vissers er vingen. In het berkenbos stikte het van de konijnen en af en toe kwamen de jagers zelfs met een wild zwijn of een hert terug van hun tochten.
Het enige dat een kleine bedreiging vormde voor de vredige rust waarmee Brkódowo zich een weg door de geschiedenis baande waren de roedels wolven die in de streek rondwaarden. Oorlogen had het landgoed nog nooit gezien. De enige oorlog die de huidige bewoners hadden meegemaakt had de graanprijzen omhoog doen schieten op de zelfde manier waarmee datzelfde graan dat elke lente door de kracht van de zon had gedaan. Van vader Brkód mocht het altijd wel oorlog zijn, grapte hij zo nu en dan.
De zomers in dit aardse paradijs waren, zoals iedereen zich kan voorstellen, ronduit heerlijk. De kinderen speelden bij de beek, waar ze naar de vissers keken die geduldig wachtend van onder hun zonnehoed naar hun dobbers tuurden. Of ze gingen, als ze genoeg hadden van de beek – of de vissers van hen – naar het bos waar ze de stoere houthakkers hielpen de berkestammetjes te klieven. Als ze, overmoedig geworden, naar de grote kloofbijl grepen en ook hier waren weggestuurd gingen ze met de herders in het gras zitten om te luisteren naar de verhalen die deze mannen zo mooi konden vertellen.
De heer van het landgoed zelf leidde het werk, van de bijna duizend paar handen die hielpen het bedrijf welvarende te houden, in goede banen. Hij coordineerde de opslag van goederen, maande de maaiers en vervolgens de dorsers tot spoed, hielp de herders bij het scheren – ook hij hield van mooie verhalen – en zorgde dat eenieder zijn deel van de opbrengst kreeg.
De heer Brkód was er namelijk heilig van overtuigd dat vrije boeren beter werk leverden dan de slaven die op de rest van de landgoederen in de buurt het werk deden. Alle bewoners van Brkódowo stond het vrij op enig moment te vertrekken, of, minstens zo belangrijk voor het succes van het landgoed, van professie te veranderen. Op Brkódowo volgde de zoon niet automatisch de vader op. De zoon van een visser kon herder worden als hij dat wilde, de dochter van de herder stond het vrij om haar leven aan het spinnen te wijden of te kiezen voor een taak als waterdraagster, weefster, of meid bij de heer Brkód thuis.
Voor de slimsten onder de kinderen had de heer Brkód een school van uit de beek gewonnen bakstenen laten bouwen. Hier werden kinderen opgeleid tot smid, timmerman, bouwmeester, secretaris, griffier of schoolmeester. De meisjes leerden, apart van de jongens, lezen en schrijven, een ambacht, weven bijvoorbeeld, dansen, muziek maken en goede manieren, zodat sommigen zelfs aan het hof van de keizer geen slecht figuur zouden slaan.
De paar uitblinkers die zonder enige moeite de school doorliepen onderwees de heer Brkód, als al het werk voor de dag gedaan was zelf. De landheer, die aan de keizerlijke universiteit had gestudeerd, onderwees zijn oogappels vol overgave en op hoog niveau in de kunsten, zoals muziek en dans, maar ook in de schilderkunst, in de filosofie, de wisunde en de economie. Eén van zijn leerlingen, zo vertelde hij meer dan eens, was nu de adviseur van de keizer geworden – en het was vooral te danken aan diens adviezen dat de keizer enkele jaren later de slavernij definitief zou afschaffen. Maar dat weten we nu nog niet.
Het landgoed van de heer Brkód was wat wij zouden kunnen omschrijven als een paradijselijk landgoed. Er was voor iedereen de kans om het maximale uit zichzelf te halen en aan de immer groeiende welvaart leek geen einde te komen.
In het stralende middelpunt van dit paradijs genoot de landheersfamilie een zeer verdiend welvarend leven. In huize Brkód ontbrak het de bewoners aan niets. Elke avond kwamen de lekkerste gerechten op tafel; verse forel uit de beek, een lam dat die middag nog door de heer zelf was geslacht, konijn uit het berkenbos... dit alles bereid door de fantastische koks die hun werk vol liefde deden.
Na het diner volgde de soirée waarvoor eenieder zijn mooiste kleren aantrok. De muziek werd verzorgd door de muzikanten van het landgoed. Men danste, van het plezier de tijd vergetend, tot diep in de nacht waarna soms, als sluitstuk van de avond, één van de herders werd gevraagd nog een verhaal te vertellen; hiherbij verhaalde de één steevast over spoken, een ander altijd over wilde dieren en een volgende immer over de liefde, zodoende de dromen van zijn toehoorders voor die nacht bepalend.
Er was echter één ding dat het totale geluk voor de landheer en zijn familie in de weg stond: de winter. Het was niet zozeer de winter zelf, met haar zachte witwollen deken, die het ongeluk betekende – er waren genoeg voorraden om twee winters te doorstaan als het moest – en ook was er genoeg leuks te beleven: schaatsen op de bevroren beek, genieten van het knarsen van de verse sneeuw onder je laarzen of het houden van een sneeuwballengevecht... nee, het was iets geheel anders.
Al zo lang als men zich kon heugen, namelijk, wilde de haard van het landhuis niet branden. Verschillende bouwmeesters hadden het geheel, de haard én de schoorsteen, meerdere malen onderzocht, maar er leek niets mee mis. Het hout in de schouw vatte eenvoudigweg niet vlam; alsof het heiligen uit lang vervlogen tijden waren, grapte mijnheer Brkód wel eens. De rest van de bewoners had het over een vloek: er rustte een vloek op de haard en hij zou nooit branden.
Na een winter lang koude lijden werd het gelukkig ook voor de landheer en zijn gezin weer lente. De warme voorjaarszon reduceerde het probleem met de haard tot een futiliteit uit een ver verleden en de vloek werd, zoals elk jaar, weer vergeten. De vissers zaten weer aan de waterkant, de herders lagen weer in het gras, de zaaiers floten om het hardst en de kinderen speelden weer verstoppertje bij de molen, in het bos en rond het landhuis.
Het was in de late lente van dat jaar dat het kleine klasje van de landheer er een opvallende verschijning bijkreeg. Lucie heette ze, Lucie Vera. Ze had zwart haar dat enigszins rood oplichtte in de zon, een huid zo licht als de vacht van een pasgeboren lammetje, ledematen zo recht als de beste berken uit het bos, een stem zo helder als de klaterende beek en ogen... ze waren vochtig en vlammend tegelijk, in een kleur die nog het meest op het roodbruin van de vos van de landheer leek.
Heer Brkód werd meteen gegrepen door haar scherpe geest. Ze sprak op heldere toon als haar iets gevraagd werd, antwoordde zeer scherp en ook haar vragen sneden altijd hout. Desondanks leek ze vaak met haar gedachten ergens anders. Dan vlamden haar ogen warm en vochtig op en staarde ze door alles en iedereen heen. ‘Zo moet Medusa gekeken hebben’ dacht Brkód dan. Na de lessen ging ze altijd meteen de deur uit. ‘Tot morgen!’ klonk het helder, en weg was ze.
Buiten zat ze, stil als de reiger aan de overkant, bij de beek naar een in het water staande forel te staren, gefascineerd door de manier waarop de vis even snel tegen de stroom inzwom als hij erdoor werd meegevoerd, of lag ze op haar rug naar de wolken te kijken. Ze was liever alleen en negeerde de bewonderende blikken van de jongemannen en het gefluister van de afgunstige meisjes volkomen.
Voor de winter werden de lessen verplaatst naar de smidse, waar het dankzij de voortdurend brandende oven wél warm was.
Op een koude herfstdag zat Lucie in de salon van het landhuis, waar ’s zomers de lessen werden gegeven, toen de landheer er binnenkwam. Hij zocht zijn rijlaarzen. Hij was aan de late kant, maar wilde te paard naar de smidse gaan – het was zeker een half uur lopen – om zo meteen zijn vos opnieuw te laten beslaan. Hij vroeg haar wat ze daar deed, ze kon immers nooit meer op tijd zijn voor de les.
‘We kunnen toch ook hier zitten.’ Klonk het helder door het vertrek. Er was iets in die opmerking die hem twee keer deed nadenken voor hij toch zei dat het hier veel te koud zou worden. Lucie keek hem op haar beurt niet begrijpend aan: ‘maar ik heb de haard aangestoken.’ Zei ze.
Brkód kon zijn ogen bijna niet geloven. Inderdaad, de haard brandde als een tierelier. Het vertrek was heerlijk warm en pas nu merkte hij dat hij stond te zweten in zijn frak.
Hij pakte evengoed zijn rijlaarzen, reed evengoed naar de smidse, maar keerde nadat hij alle leerlingen had opgedragen direct naar de salon te komen spoorslags weer terug om Lucie te vragen hoe ze het had klaargespeeld om die vervloekte haard aan de gang te krijgen.Het antwoord was, zoals de meeste van haar antwoorden kinderlijk eenvoudig: ‘gewoon, met de zwavelstokjes.’
Het werd de beste les in tijden en ze gingen speciaal een half uur langer in op de fuga, daar ze nu wél de beschikking hadden over de pianoforte.
Al gauw bleek dat Lucie een ongekende interesse voor het klassieke element vuur tentoonspreidde. Ze ging niet meer als eerste de salon uit, maar bleef in de vlammen zitten staren tot iedereen, op de landheer na, vertrokken was. Af en toe gooide ze een berkenblok in de vlammen dat haast ogenblikkelijk vlamvatte en het vuur tot ongekende hoogte deed oplaaien.
De herders in de velden, die het verhaal van het wonder met de haard ook hadden gehoord, meenden af en toe de vlammen zelfs uit de schoorsteen te zien komen.
De landheer liet haar haar gang gaan. Ze ging weg als er voldoende hout op het vuur lag om de haard tot de volgende ochtend brandende te houden. Dan keerde ze terug om de gang erin te houden, waarbij ze rustig een uur bleef zitten kijken hoe het vuur zich van de koude en hongerige nacht herstelde en weer even hoog oplaaide als toen ze het had achtergelaten.
Toen ze een keer ziek was probeerde de heer Brkód zelf het vuur gaande te houden. Bij het eerste blok dat hij in de schouw wierp echter, doofden de vlammen al en bleef er enkel een hoopje smeulende as over. Toen hij op een middag in de salon kwam en het vuur weer laaiend en gierend aantrof wist hij dat ze weer beter was.
Het werd de gelukkigste winter die de landheer ooit had gekend. Zijn colleges gaf hij met evenveel vuur als Lucie in de schouw wist te ontsteken en bovendien konden de soirées deze winter ook gewoon doorgaan.
Als ze de vlammen uit de schoorsteen niet zagen, hoorden de herders in de velden in ieder geval de muziek die vuriger klonk dan ooit tevoren en zo de kille winteravonden met een ongekende warmte vervulde.
Die lente gingen de vissers net als alle voorgaande jaren weer aan de beek zitten; de herders op hun rug in het gras liggen en floten de zaaiers als altijd om het hardst. Alles leek goed. Lucie echter, bleef maar doorgaan met de haard brandende houden. Ze kon simpelweg geen genoeg krijgen van de gloed van de vlammen, waardoor de salon al gauw gelijkenissen met de smidse begon te vertonen.
Toen de landheer Lucie probeerde uit te leggen dat het vuur nu niet meer nodig was staarde ze verdrietig in de vlammen. Hoe gehecht hij ook was aan Lucie en haar vurigheid, Brkód zag zich genoodzaakt de zwavelstokjes weg te nemen en het vuur te doven. Hij gooide er eenvoudigweg een berkenblok op.
Van toen af leek er ook iets gedoofd in Lucie. Haar ogen en haren werden doffig en haar stem verloor aan helderheid. Net als vroeger trok ze meteen na de lessen de deur van de salon open, maar het heldere ‘tot morgen’ werd niet meer gehoord.
Nog steeds ging ze alleen bij de beek in het water zitten staren, maar de glimlach die ze altijd op haar gezicht had gehad was verdwenen, ook als ze op haar rug de gang van de wolken gadesloeg.
Brkód voelde haar treurigheid. Hij werd er zelf door gegrepen en bemerkte eens temeer hoezeer hij gesteld was geraakt op zijn sterleerlinge. Hij miste haar scherpe antwoorden, haar rake vragen, haar heldere stem... maar meest van al miste hij haar vurige blik.
Hij legde de zwavelstokjes weer op de schouw. Lucie negeerde ze. Zelfs toen het kouder begon te worden stak ze geen vinger naar ze uit en de klas zag zich genoodzaakt die winter weer naar de smidse te gaan.
Hier richtte ze haar ogen vol meewaar op de oven van de smid. Af en toe lichtten ze even op en klonk de stem weer helder als het klateren van de beek door het lokaal, maar bijna direct daarna viel Lucie weer terug in haar eerdere toestand en was de sintel die even was gaan gloeien weer gedoofd.
De herders in de velden zagen die winter noch het vuur uit de schoorsteen oplaaien, noch hoorden zij de warme klanken van de soirées. Dicht bij elkaar zittend vertelden ze elkaar al klappertandend dat deze winter nog kouder was dan alle voorgaande.
Iedereen hoopte vurig dat Lucie zich zou laten overtuigen van de noodzaak van haar talent, maar ze leek doof vaar alle aansporingen. Haar ogen bleven kil.
Tot op een dag de landheer haar vroeg of ze die middag naar de salon wilde komen. Hij moest nog wat werk afmaken, maar zou daarna zo snel mogelijk komen. Ze knikte ten teken dat ze het begrepen had.
Brkód had zich goed voorbereid. Hij had de mooiste berkeblokken laten aanrukken en achter de doos met zwavelstokjes had hij een olielamp gezet, zodat de gloed daarvan haar aandacht zou trekken.
Toen hij na zijn inspectieronde de salon binnenkwam zat Lucie op haar knieën naast de schouw met de zwavelstokjes in haar hand. Eén voor één streek ze ze af en liet ze vervolgens weer uitdoven. Voor haar lagen tientallen halfzwarte houtjes op de grond.
Brkód dacht bij zichzelf: ‘we zijn er bijna’, en vroeg haar waarom ze de zwavelstokjes telkens liet uitgaan. Ze keek hem met haar mooie ogen, waarin weer iets leek te gloeien, verdrietig aan: ‘Ik ben bang dat ik het vuur nog eens verlies.’
Terwijl hij haar probeerde uit te leggen dat in de zomer altijd alle vuren doven, maar dat ze in de winter weer op dienen te laaien als daarvoor streek zij één voor één alle zwavelstokjes af. Alle, op een na...
Het enige dat een kleine bedreiging vormde voor de vredige rust waarmee Brkódowo zich een weg door de geschiedenis baande waren de roedels wolven die in de streek rondwaarden. Oorlogen had het landgoed nog nooit gezien. De enige oorlog die de huidige bewoners hadden meegemaakt had de graanprijzen omhoog doen schieten op de zelfde manier waarmee datzelfde graan dat elke lente door de kracht van de zon had gedaan. Van vader Brkód mocht het altijd wel oorlog zijn, grapte hij zo nu en dan.
De zomers in dit aardse paradijs waren, zoals iedereen zich kan voorstellen, ronduit heerlijk. De kinderen speelden bij de beek, waar ze naar de vissers keken die geduldig wachtend van onder hun zonnehoed naar hun dobbers tuurden. Of ze gingen, als ze genoeg hadden van de beek – of de vissers van hen – naar het bos waar ze de stoere houthakkers hielpen de berkestammetjes te klieven. Als ze, overmoedig geworden, naar de grote kloofbijl grepen en ook hier waren weggestuurd gingen ze met de herders in het gras zitten om te luisteren naar de verhalen die deze mannen zo mooi konden vertellen.
De heer van het landgoed zelf leidde het werk, van de bijna duizend paar handen die hielpen het bedrijf welvarende te houden, in goede banen. Hij coordineerde de opslag van goederen, maande de maaiers en vervolgens de dorsers tot spoed, hielp de herders bij het scheren – ook hij hield van mooie verhalen – en zorgde dat eenieder zijn deel van de opbrengst kreeg.
De heer Brkód was er namelijk heilig van overtuigd dat vrije boeren beter werk leverden dan de slaven die op de rest van de landgoederen in de buurt het werk deden. Alle bewoners van Brkódowo stond het vrij op enig moment te vertrekken, of, minstens zo belangrijk voor het succes van het landgoed, van professie te veranderen. Op Brkódowo volgde de zoon niet automatisch de vader op. De zoon van een visser kon herder worden als hij dat wilde, de dochter van de herder stond het vrij om haar leven aan het spinnen te wijden of te kiezen voor een taak als waterdraagster, weefster, of meid bij de heer Brkód thuis.
Voor de slimsten onder de kinderen had de heer Brkód een school van uit de beek gewonnen bakstenen laten bouwen. Hier werden kinderen opgeleid tot smid, timmerman, bouwmeester, secretaris, griffier of schoolmeester. De meisjes leerden, apart van de jongens, lezen en schrijven, een ambacht, weven bijvoorbeeld, dansen, muziek maken en goede manieren, zodat sommigen zelfs aan het hof van de keizer geen slecht figuur zouden slaan.
De paar uitblinkers die zonder enige moeite de school doorliepen onderwees de heer Brkód, als al het werk voor de dag gedaan was zelf. De landheer, die aan de keizerlijke universiteit had gestudeerd, onderwees zijn oogappels vol overgave en op hoog niveau in de kunsten, zoals muziek en dans, maar ook in de schilderkunst, in de filosofie, de wisunde en de economie. Eén van zijn leerlingen, zo vertelde hij meer dan eens, was nu de adviseur van de keizer geworden – en het was vooral te danken aan diens adviezen dat de keizer enkele jaren later de slavernij definitief zou afschaffen. Maar dat weten we nu nog niet.
Het landgoed van de heer Brkód was wat wij zouden kunnen omschrijven als een paradijselijk landgoed. Er was voor iedereen de kans om het maximale uit zichzelf te halen en aan de immer groeiende welvaart leek geen einde te komen.
In het stralende middelpunt van dit paradijs genoot de landheersfamilie een zeer verdiend welvarend leven. In huize Brkód ontbrak het de bewoners aan niets. Elke avond kwamen de lekkerste gerechten op tafel; verse forel uit de beek, een lam dat die middag nog door de heer zelf was geslacht, konijn uit het berkenbos... dit alles bereid door de fantastische koks die hun werk vol liefde deden.
Na het diner volgde de soirée waarvoor eenieder zijn mooiste kleren aantrok. De muziek werd verzorgd door de muzikanten van het landgoed. Men danste, van het plezier de tijd vergetend, tot diep in de nacht waarna soms, als sluitstuk van de avond, één van de herders werd gevraagd nog een verhaal te vertellen; hiherbij verhaalde de één steevast over spoken, een ander altijd over wilde dieren en een volgende immer over de liefde, zodoende de dromen van zijn toehoorders voor die nacht bepalend.
Er was echter één ding dat het totale geluk voor de landheer en zijn familie in de weg stond: de winter. Het was niet zozeer de winter zelf, met haar zachte witwollen deken, die het ongeluk betekende – er waren genoeg voorraden om twee winters te doorstaan als het moest – en ook was er genoeg leuks te beleven: schaatsen op de bevroren beek, genieten van het knarsen van de verse sneeuw onder je laarzen of het houden van een sneeuwballengevecht... nee, het was iets geheel anders.
Al zo lang als men zich kon heugen, namelijk, wilde de haard van het landhuis niet branden. Verschillende bouwmeesters hadden het geheel, de haard én de schoorsteen, meerdere malen onderzocht, maar er leek niets mee mis. Het hout in de schouw vatte eenvoudigweg niet vlam; alsof het heiligen uit lang vervlogen tijden waren, grapte mijnheer Brkód wel eens. De rest van de bewoners had het over een vloek: er rustte een vloek op de haard en hij zou nooit branden.
Na een winter lang koude lijden werd het gelukkig ook voor de landheer en zijn gezin weer lente. De warme voorjaarszon reduceerde het probleem met de haard tot een futiliteit uit een ver verleden en de vloek werd, zoals elk jaar, weer vergeten. De vissers zaten weer aan de waterkant, de herders lagen weer in het gras, de zaaiers floten om het hardst en de kinderen speelden weer verstoppertje bij de molen, in het bos en rond het landhuis.
Het was in de late lente van dat jaar dat het kleine klasje van de landheer er een opvallende verschijning bijkreeg. Lucie heette ze, Lucie Vera. Ze had zwart haar dat enigszins rood oplichtte in de zon, een huid zo licht als de vacht van een pasgeboren lammetje, ledematen zo recht als de beste berken uit het bos, een stem zo helder als de klaterende beek en ogen... ze waren vochtig en vlammend tegelijk, in een kleur die nog het meest op het roodbruin van de vos van de landheer leek.
Heer Brkód werd meteen gegrepen door haar scherpe geest. Ze sprak op heldere toon als haar iets gevraagd werd, antwoordde zeer scherp en ook haar vragen sneden altijd hout. Desondanks leek ze vaak met haar gedachten ergens anders. Dan vlamden haar ogen warm en vochtig op en staarde ze door alles en iedereen heen. ‘Zo moet Medusa gekeken hebben’ dacht Brkód dan. Na de lessen ging ze altijd meteen de deur uit. ‘Tot morgen!’ klonk het helder, en weg was ze.
Buiten zat ze, stil als de reiger aan de overkant, bij de beek naar een in het water staande forel te staren, gefascineerd door de manier waarop de vis even snel tegen de stroom inzwom als hij erdoor werd meegevoerd, of lag ze op haar rug naar de wolken te kijken. Ze was liever alleen en negeerde de bewonderende blikken van de jongemannen en het gefluister van de afgunstige meisjes volkomen.
Voor de winter werden de lessen verplaatst naar de smidse, waar het dankzij de voortdurend brandende oven wél warm was.
Op een koude herfstdag zat Lucie in de salon van het landhuis, waar ’s zomers de lessen werden gegeven, toen de landheer er binnenkwam. Hij zocht zijn rijlaarzen. Hij was aan de late kant, maar wilde te paard naar de smidse gaan – het was zeker een half uur lopen – om zo meteen zijn vos opnieuw te laten beslaan. Hij vroeg haar wat ze daar deed, ze kon immers nooit meer op tijd zijn voor de les.
‘We kunnen toch ook hier zitten.’ Klonk het helder door het vertrek. Er was iets in die opmerking die hem twee keer deed nadenken voor hij toch zei dat het hier veel te koud zou worden. Lucie keek hem op haar beurt niet begrijpend aan: ‘maar ik heb de haard aangestoken.’ Zei ze.
Brkód kon zijn ogen bijna niet geloven. Inderdaad, de haard brandde als een tierelier. Het vertrek was heerlijk warm en pas nu merkte hij dat hij stond te zweten in zijn frak.
Hij pakte evengoed zijn rijlaarzen, reed evengoed naar de smidse, maar keerde nadat hij alle leerlingen had opgedragen direct naar de salon te komen spoorslags weer terug om Lucie te vragen hoe ze het had klaargespeeld om die vervloekte haard aan de gang te krijgen.Het antwoord was, zoals de meeste van haar antwoorden kinderlijk eenvoudig: ‘gewoon, met de zwavelstokjes.’
Het werd de beste les in tijden en ze gingen speciaal een half uur langer in op de fuga, daar ze nu wél de beschikking hadden over de pianoforte.
Al gauw bleek dat Lucie een ongekende interesse voor het klassieke element vuur tentoonspreidde. Ze ging niet meer als eerste de salon uit, maar bleef in de vlammen zitten staren tot iedereen, op de landheer na, vertrokken was. Af en toe gooide ze een berkenblok in de vlammen dat haast ogenblikkelijk vlamvatte en het vuur tot ongekende hoogte deed oplaaien.
De herders in de velden, die het verhaal van het wonder met de haard ook hadden gehoord, meenden af en toe de vlammen zelfs uit de schoorsteen te zien komen.
De landheer liet haar haar gang gaan. Ze ging weg als er voldoende hout op het vuur lag om de haard tot de volgende ochtend brandende te houden. Dan keerde ze terug om de gang erin te houden, waarbij ze rustig een uur bleef zitten kijken hoe het vuur zich van de koude en hongerige nacht herstelde en weer even hoog oplaaide als toen ze het had achtergelaten.
Toen ze een keer ziek was probeerde de heer Brkód zelf het vuur gaande te houden. Bij het eerste blok dat hij in de schouw wierp echter, doofden de vlammen al en bleef er enkel een hoopje smeulende as over. Toen hij op een middag in de salon kwam en het vuur weer laaiend en gierend aantrof wist hij dat ze weer beter was.
Het werd de gelukkigste winter die de landheer ooit had gekend. Zijn colleges gaf hij met evenveel vuur als Lucie in de schouw wist te ontsteken en bovendien konden de soirées deze winter ook gewoon doorgaan.
Als ze de vlammen uit de schoorsteen niet zagen, hoorden de herders in de velden in ieder geval de muziek die vuriger klonk dan ooit tevoren en zo de kille winteravonden met een ongekende warmte vervulde.
Die lente gingen de vissers net als alle voorgaande jaren weer aan de beek zitten; de herders op hun rug in het gras liggen en floten de zaaiers als altijd om het hardst. Alles leek goed. Lucie echter, bleef maar doorgaan met de haard brandende houden. Ze kon simpelweg geen genoeg krijgen van de gloed van de vlammen, waardoor de salon al gauw gelijkenissen met de smidse begon te vertonen.
Toen de landheer Lucie probeerde uit te leggen dat het vuur nu niet meer nodig was staarde ze verdrietig in de vlammen. Hoe gehecht hij ook was aan Lucie en haar vurigheid, Brkód zag zich genoodzaakt de zwavelstokjes weg te nemen en het vuur te doven. Hij gooide er eenvoudigweg een berkenblok op.
Van toen af leek er ook iets gedoofd in Lucie. Haar ogen en haren werden doffig en haar stem verloor aan helderheid. Net als vroeger trok ze meteen na de lessen de deur van de salon open, maar het heldere ‘tot morgen’ werd niet meer gehoord.
Nog steeds ging ze alleen bij de beek in het water zitten staren, maar de glimlach die ze altijd op haar gezicht had gehad was verdwenen, ook als ze op haar rug de gang van de wolken gadesloeg.
Brkód voelde haar treurigheid. Hij werd er zelf door gegrepen en bemerkte eens temeer hoezeer hij gesteld was geraakt op zijn sterleerlinge. Hij miste haar scherpe antwoorden, haar rake vragen, haar heldere stem... maar meest van al miste hij haar vurige blik.
Hij legde de zwavelstokjes weer op de schouw. Lucie negeerde ze. Zelfs toen het kouder begon te worden stak ze geen vinger naar ze uit en de klas zag zich genoodzaakt die winter weer naar de smidse te gaan.
Hier richtte ze haar ogen vol meewaar op de oven van de smid. Af en toe lichtten ze even op en klonk de stem weer helder als het klateren van de beek door het lokaal, maar bijna direct daarna viel Lucie weer terug in haar eerdere toestand en was de sintel die even was gaan gloeien weer gedoofd.
De herders in de velden zagen die winter noch het vuur uit de schoorsteen oplaaien, noch hoorden zij de warme klanken van de soirées. Dicht bij elkaar zittend vertelden ze elkaar al klappertandend dat deze winter nog kouder was dan alle voorgaande.
Iedereen hoopte vurig dat Lucie zich zou laten overtuigen van de noodzaak van haar talent, maar ze leek doof vaar alle aansporingen. Haar ogen bleven kil.
Tot op een dag de landheer haar vroeg of ze die middag naar de salon wilde komen. Hij moest nog wat werk afmaken, maar zou daarna zo snel mogelijk komen. Ze knikte ten teken dat ze het begrepen had.
Brkód had zich goed voorbereid. Hij had de mooiste berkeblokken laten aanrukken en achter de doos met zwavelstokjes had hij een olielamp gezet, zodat de gloed daarvan haar aandacht zou trekken.
Toen hij na zijn inspectieronde de salon binnenkwam zat Lucie op haar knieën naast de schouw met de zwavelstokjes in haar hand. Eén voor één streek ze ze af en liet ze vervolgens weer uitdoven. Voor haar lagen tientallen halfzwarte houtjes op de grond.
Brkód dacht bij zichzelf: ‘we zijn er bijna’, en vroeg haar waarom ze de zwavelstokjes telkens liet uitgaan. Ze keek hem met haar mooie ogen, waarin weer iets leek te gloeien, verdrietig aan: ‘Ik ben bang dat ik het vuur nog eens verlies.’
Terwijl hij haar probeerde uit te leggen dat in de zomer altijd alle vuren doven, maar dat ze in de winter weer op dienen te laaien als daarvoor streek zij één voor één alle zwavelstokjes af. Alle, op een na...
vrijdag 13 augustus 2010
Sprookje
Lang lang geleden in een land ver hier vandaan leefde eens een koning. Het land was zoals alle landen uit de verhalen erg mooi. Er waren hoge bergen in het oosten en diepe dalen in het westen. Klaterende beken en kolkende rivieren mondden uit in verstilde meren en in de zee in het noorden. Wuivende velden werden afgewisseld door verlaten wouden en tussen al dit moois kon men de meest unieke dieren vinden zoals de brilaap, die in de bossen leefde en daarbij ook als huisdier werd gehouden omdat hij zo snel leerde praten. In de velden kronkelde de appelslang, die het liefst in appelbomen leefde, en vond je, als je geluk had, de wilde woelrat welke een opvallende voorkeur voor gelijkgeslachtelijke geslachtsgemeenschap tentoonspreidde. Verder waren er wolven in de bergen, herten in de dalen, vissen in de beken en vele vogels in de lucht.
Met zijn volle baard, grote kroon, lange mantel en ijzeren scepter was de heerser van dit land in heel zijn verschijning een echte koning. Hoewel hij altijd zo was geweest was hij niet altijd koning geweest. Het land dat hij regeerde was lange tijd verdeeld geweest tussen de verschillende rivaliserende stammen die er leefden. Alsof dit niet al erg genoeg was had een grote stam uit een van de buurlanden haar pijlen gericht op de rijkdommen van het land van ons verhaal. De stam was het land binnengevallen en had de macht gegrepen. De inheems stammen bestreden elkaar, de buitenlandse stam bestreed de inheemse stammen die gezamenlijk weer de buitenlandse stam bestreden. Oorlog, doodslag en plundering waren aan de orde van de dag. Niemand was zijn leven zeker. Niets was zeker.
Toen op een dag de buitenlandse stam inzag dat de overheersing van het land een uitzichtloze zaak was verlieten zij het land en lieten het over aan de oorlogvoerende stammen die als een uitgehongerde roedel wolven over het land raasden. Nu weer elkaar aanvallend, dan weer bondgenootschappen sluitend, maar altijd verdeeld. Alle bewoners van het land probeerden zich te wapenen tegen deze terreur. Ieder dorp richtte zijn eigen militie op die moest waken over het welzijn van de oogsten, de vrouwen, de kinderen en het vee. De milities deden wat ze konden, maar waren vaak niet opgewassen tegen de terroriserende stammen die dan weer ’s nachts, dan weer overdag de dorpen binnenvielen; de milities afslachtend, de vrouwen verkrachtend en de kinderen en het vee meevoerend. Wat achterbleef waren veraste geraamtes van huizen en de verminkte lijken van de bewoners. Niemand was zijn leven zeker. Dat was zeker.
De latere koning wist op een dag, als hoofd van de militie van een groot dorp in het zuidoosten van het land, een aanval van de hongerige wolven, zoals de roofstammen werden genoemd, af te slaan. Hij betaalde de plunderaars met gelijke munt terug: de rovers slachtte hij af, de leiders martelde hij dood en werden als voorbeeld tentoon gespreid en de buit verdeelde hij onder zijn milities. Het nieuws van het succes van de latere koning en zijn militie verspreidde zich als een lopend vuurtje door het land en al gauw meldden velen zich aan om mee te vechten in zijn groep. De hongerige wolven kregen de andere kant van de medaille gepresenteerd en waren vanaf nu, als waren ze een kreupel hert, voortdurend op de vlucht voor de pijlen van de koning en zijn jachtroedel.
Toen hij het land grotendeels had gezuiverd van de bendes hongerige wolven kroonde hij zichzelf tot koning Esthetophobos I. Geïnspireerd door het oostelijke buurland, waar een relatieve rust heerste, nam hij de strenge wetten van dat land over en handhaafde deze met ijzeren scepter. De jaren van voortdurende onzekerheid behoorden tot het verleden. Tenminste, zo leek het.
Omdat, in de ogen van de koning, alle ellende was ontstaan door begeerte was zijn grootste wens alle begeerte de kop in te drukken. Als niemand meer zou begeren zou het met de strijd en twist snel gedaan zijn en zou er eeuwige rust en vrede heersen in het land dat hij met zijn troepen had herenigd. Hij zette zich op zijn koningszetel van ruw berghout en begon te peinzen. Wat wekte zoal zijn begeerte? In de eerste plaats natuurlijk de vrouw met al haar schoonheid. Maar, complex probleem als dit was, zonder vrouwen zou het land binnen enkele jaren uitgestorven zijn... Verder ging zijn begeerte uit naar bezit, maar niet naar alle bezit. Zo hoefde hij bijvoorbeeld echt geen geld als hij er niets voor kon kopen. Verder kwam hij tot de conclusie dat een leven zonder begeerte welhaast onmogelijk was, daar de mens, als er niets meer te begeren is, alle hoop op verbetering van zijn levensstandaard verliest.
Na lang nadenken en het raadplegen van de wijze en geleerde mannen van het land werd besloten dat alle begeerte gericht moest zijn op iets dat zich niet op deze aarde bevond. De man, en de vrouw in zijn kielzog, moest streven naar het hoogste bezit, maar dit bezit moest niet op aarde te vinden en liefst zo goed als onbereikbaar zijn. Hiervoor schiep hij de hemel. Deze was er voor hen die een goed leven hadden geleid en kon men vinden na de dood. In de hemel wachtte de mens alles wat zijn hartje begeerde en dit alles in overvloed. Daar geduld een schone zaak is moest iedereen het maar opbrengen zo lang te wachten.
Om het wachten niet te lastig te maken verbood hij eenvoudigweg alle mooie dingen; muziek, dans, feesten... zelfs de traditionele volkssport werd verboden. De opzet van dit spel was simpel: twee teams moesten zo snel mogelijk een bak met water proberen te vullen. De moeilijkheid zat hem in de staart. Elke bak – van aanzienlijk formaat – namelijk, was onderaan voorzien een gaatje met een stop erin. Ging deze stop eruit dan was de bak, die met veel pijn en moeite gevuld was, binnen enkele ogenblikken weer helemaal leeg. Elk team bestond uit renners, die zo snel mogelijk het water uit een bron moesten putten; aanvallers, die de stop uit de bak van de tegenstander moesten trekken en verdedigers, die de aanvallers moesten tegenhouden.
Verder verbood de koning elke verdere vorm van kunst en vermaak, vernietigde hij alle bestaande kunstvoorwerpen en verbood bovendien het meer dan basale onderwijs, zodat ook niemand opgezadeld kon worden met een begeerte naar kennis. Als laatste maatregel vaardigde hij een kledingvoorschrift uit dat iedereen er toe verplichtte zich zo onaantrekkelijk mogelijk te kleden. Voor mannen werd het kostuum in al zijn varianten verboden en vervangen door een soort van dekkleed waaronder men aftandse sandalen diende te dragen. De prachtige vrouwen die het land rijk was werd, op straffe van verminking, verplicht helemaal niets meer van zichzelf te laten zien. Hiertoe kregen ze een helm op met daarop een vierkant geraamte waar overheen een soort van vierkante tent werd gedrapeerd. Het resultaat was dat elke vrouw er bij liep als een grote onherkenbare Thaise lampion.
Om zelfs de ogen aan het zicht te onttrekken werd deze tent uitgerust met een periscoop zodat de vrouw, zonder haar begeerlijke ogen te tonen, desondanks wel kon zien waar ze heen ging. Als laatste werd het de vrouw verboden producten van een man aan te nemen, daar ze dan haar elegante handen zou kunnen tonen, en zodoende verplicht tot het meenemen van een gezel naar de markt, al duizend jaar het terrein van de vrouw.
Al deze maatregelen leidden er toe dat een groot deel van de mannen binnen luttele tijd esthetofoob werd. Elke esthetische uiting kon er immers voor zorgen dat men het hoogst haalbare uit het oog verloor. Blootstelling aan esthetiek leidde in een aantal gevallen zelfs tot gezondheidsklachten. Zo kwam het regelmatig voor dat pasgetrouwde mannen in de huwelijksnacht flauwvielen door alleen de aanblik van zoveel schoons.
Omdat het noodzakelijk was voor het in stand houden van de bevolking was het huwelijk in eerste instantie nog wel toegestaan. Een niet gering percentage van de mannen echter raakte tijdens de huwelijksnacht in coma, shock of een andere levensbedreigende toestand waardoor men uit angst het leven er bij in te schieten ook van het huwelijk afzag. De oplossing die de koning hiervoor aandroeg laat zich, triest genoeg, raden. Hij verbood het huwelijk en verplichtte de meest potente, gelovige en sterke mannen tot het wekelijks inleveren van een potje bij één van de klinieken die er toe dienden de vrouwen kunstmatig te bevruchten.
Het land verkeerde enkele jaren in een toestand van totale daasheid. Alle begeerte was uitgebannen, niemand hield zich meer met iets moois bezig en het enige mooie waar men zich een voorstelling van kon maken was de hemel. Iedereen hoopte vurig hier terecht te kunnen komen en zo deden allen, of bijna allen, hard hun best om de wetten van de koning en zijn geleerde mannen zo goed mogelijk na te leven. De illegaliteit floreerde, maar zij die echt niet zonder de geneugten des levens konden liepen een groot risico. D straffen waren wreed en werden zonder pardon uitgevoerd. De verplichte militaire training werd trouw gevolgd en iedere dag werd er op gezette tijden tot de vertegenwoordiger van de koning in de hemel gebeden dat men het hoogste maar mocht bereiken.
Het systeem echter, keerde zich op een gegeven moment tegen zichzelf. De mannen raakten zo gefrustreerd door het totale gebrek aan esthetiek en begeerte dat zij uit pure verveling de wapens tegen elkaar opnamen. Toen zij inzagen dat het vrij zinloos was de eigen bevolking te blijven bestrijden trokken de meest fanatieke onder hen naar het buitenland om daar verder te strijden. Zo ook een zoon van de koning. Hij wilde de mensen in het buitenland doen inzien dat het in het land van zijn vader het beste was. Hiertoe verenigde hij zich met een paar andere gedrevenen en samen trokken ze er opuit om al het moois in de wereld te vernietigen.
Kunstwerken werden kapotgeslagen, dansers werd de grote teen afgehakt, alle spel werd gestopt onder dreiging van wapens en begeerlijke vrouwen die ze tegenkwamen werden, nadat enkele fanatiekelingen door deze aanblik flauwvielen, doorgaans verminkt of, als ze geluk hadden, gedwongen zich in de Thaise lampion te hullen. De meeste van deze fanatiekelingen werden door buitenlandse strijdkrachten aangehouden of gedood, maar daar zij geen enkele aardse begeerte kenden kon noch het één nog het ander hen deren.
Zat van de terreur van deze hongerige wolven, zoals ze door de meeste mensen werden genoemd, sloten de meest geteisterde en meest machtige landen een verbond om gezamenlijk koning Esthetophobos en zijn regime te verdrijven. De aanval was, zelfs voor de getrainde en bloedfanatieke troepen van de koning niet te weerstaan en hij zag zich uiteindelijk genoodzaakt de bergen in het oosten in te vluchten.
De bevolking van zijn voormalige land wist eerst niet wat het zag toen de buitenlandse legers hen weer in aanraking brachten met al het moois dat deze wereld te bieden had. De vrouwen verbrandden hun Thaise lampions, de mannen hun gewaden en sandalen. Het volk leefde weer op en het land begon weer te lijken op wat het geweest was in een ver en glorierijk verleden. De velden golfden weer in de wind, de stromen klaterden als nooit te voren en werden niet meer bewaakt door fanatiekelingen van de koning die zelfs dit moois voor de bevolking verborgen wilde houden.
De verdreven koning, die in het buurland op veel steun kon rekenen echter, verzamelde een grote groep fanatieke esthetofoben om zich heen die vol afgunst en begeerte naar de verworvenheden van hun voormalige landgenoten keken. De geschiedenis van jaren geleden herhaalde zich. De buitenlandse mogendheden probeerden het land te beschermen tegen de hongerige wolven die als een kolkende stroom uit de bergen op het land aanvielen, de bevolking richtte weer milities op en het land raakte verdeeld tussen hen die de rust van de voorbij periode verkozen boven de drukke maatschappij vol begeerte van nu en zij die de ontstane kansen op al het moois dat dit leven te bieden had omarmden...
Na jaren van uitzichtloze strijd tegen de ogenschijnlijk oneindige stroom van hongerige wolven werden de buitenlandse legers de strijd moe en vertrokken. Hierna viel het net bevrijde land weer uiteen. De verschillende rivaliserende stammen begonnen elkaar wederom te bestrijden en vielen één voor één ten prooi aan de troepen van de opvolger van Esthetofobos I: zijn zoon Esthetofobos II. De kledingfabrieken die jarenlang échte thaise lampions hadden gemaakt om de bevrijding te vieren produceerden weer de gehate gewaden; het traditionele spel van de waterdragers werd weer verboden; alle onderwijs werd per decreet afgeschaft en alle vrouwen die niet op tijd een Thaise lampiongewaad hadden weten te bemachtigen...
http://www.time.com/time/world/article/0,8599,2007269,00.html
De Gruwelende Groninger, 2010
Met zijn volle baard, grote kroon, lange mantel en ijzeren scepter was de heerser van dit land in heel zijn verschijning een echte koning. Hoewel hij altijd zo was geweest was hij niet altijd koning geweest. Het land dat hij regeerde was lange tijd verdeeld geweest tussen de verschillende rivaliserende stammen die er leefden. Alsof dit niet al erg genoeg was had een grote stam uit een van de buurlanden haar pijlen gericht op de rijkdommen van het land van ons verhaal. De stam was het land binnengevallen en had de macht gegrepen. De inheems stammen bestreden elkaar, de buitenlandse stam bestreed de inheemse stammen die gezamenlijk weer de buitenlandse stam bestreden. Oorlog, doodslag en plundering waren aan de orde van de dag. Niemand was zijn leven zeker. Niets was zeker.
Toen op een dag de buitenlandse stam inzag dat de overheersing van het land een uitzichtloze zaak was verlieten zij het land en lieten het over aan de oorlogvoerende stammen die als een uitgehongerde roedel wolven over het land raasden. Nu weer elkaar aanvallend, dan weer bondgenootschappen sluitend, maar altijd verdeeld. Alle bewoners van het land probeerden zich te wapenen tegen deze terreur. Ieder dorp richtte zijn eigen militie op die moest waken over het welzijn van de oogsten, de vrouwen, de kinderen en het vee. De milities deden wat ze konden, maar waren vaak niet opgewassen tegen de terroriserende stammen die dan weer ’s nachts, dan weer overdag de dorpen binnenvielen; de milities afslachtend, de vrouwen verkrachtend en de kinderen en het vee meevoerend. Wat achterbleef waren veraste geraamtes van huizen en de verminkte lijken van de bewoners. Niemand was zijn leven zeker. Dat was zeker.
De latere koning wist op een dag, als hoofd van de militie van een groot dorp in het zuidoosten van het land, een aanval van de hongerige wolven, zoals de roofstammen werden genoemd, af te slaan. Hij betaalde de plunderaars met gelijke munt terug: de rovers slachtte hij af, de leiders martelde hij dood en werden als voorbeeld tentoon gespreid en de buit verdeelde hij onder zijn milities. Het nieuws van het succes van de latere koning en zijn militie verspreidde zich als een lopend vuurtje door het land en al gauw meldden velen zich aan om mee te vechten in zijn groep. De hongerige wolven kregen de andere kant van de medaille gepresenteerd en waren vanaf nu, als waren ze een kreupel hert, voortdurend op de vlucht voor de pijlen van de koning en zijn jachtroedel.
Toen hij het land grotendeels had gezuiverd van de bendes hongerige wolven kroonde hij zichzelf tot koning Esthetophobos I. Geïnspireerd door het oostelijke buurland, waar een relatieve rust heerste, nam hij de strenge wetten van dat land over en handhaafde deze met ijzeren scepter. De jaren van voortdurende onzekerheid behoorden tot het verleden. Tenminste, zo leek het.
Omdat, in de ogen van de koning, alle ellende was ontstaan door begeerte was zijn grootste wens alle begeerte de kop in te drukken. Als niemand meer zou begeren zou het met de strijd en twist snel gedaan zijn en zou er eeuwige rust en vrede heersen in het land dat hij met zijn troepen had herenigd. Hij zette zich op zijn koningszetel van ruw berghout en begon te peinzen. Wat wekte zoal zijn begeerte? In de eerste plaats natuurlijk de vrouw met al haar schoonheid. Maar, complex probleem als dit was, zonder vrouwen zou het land binnen enkele jaren uitgestorven zijn... Verder ging zijn begeerte uit naar bezit, maar niet naar alle bezit. Zo hoefde hij bijvoorbeeld echt geen geld als hij er niets voor kon kopen. Verder kwam hij tot de conclusie dat een leven zonder begeerte welhaast onmogelijk was, daar de mens, als er niets meer te begeren is, alle hoop op verbetering van zijn levensstandaard verliest.
Na lang nadenken en het raadplegen van de wijze en geleerde mannen van het land werd besloten dat alle begeerte gericht moest zijn op iets dat zich niet op deze aarde bevond. De man, en de vrouw in zijn kielzog, moest streven naar het hoogste bezit, maar dit bezit moest niet op aarde te vinden en liefst zo goed als onbereikbaar zijn. Hiervoor schiep hij de hemel. Deze was er voor hen die een goed leven hadden geleid en kon men vinden na de dood. In de hemel wachtte de mens alles wat zijn hartje begeerde en dit alles in overvloed. Daar geduld een schone zaak is moest iedereen het maar opbrengen zo lang te wachten.
Om het wachten niet te lastig te maken verbood hij eenvoudigweg alle mooie dingen; muziek, dans, feesten... zelfs de traditionele volkssport werd verboden. De opzet van dit spel was simpel: twee teams moesten zo snel mogelijk een bak met water proberen te vullen. De moeilijkheid zat hem in de staart. Elke bak – van aanzienlijk formaat – namelijk, was onderaan voorzien een gaatje met een stop erin. Ging deze stop eruit dan was de bak, die met veel pijn en moeite gevuld was, binnen enkele ogenblikken weer helemaal leeg. Elk team bestond uit renners, die zo snel mogelijk het water uit een bron moesten putten; aanvallers, die de stop uit de bak van de tegenstander moesten trekken en verdedigers, die de aanvallers moesten tegenhouden.
Verder verbood de koning elke verdere vorm van kunst en vermaak, vernietigde hij alle bestaande kunstvoorwerpen en verbood bovendien het meer dan basale onderwijs, zodat ook niemand opgezadeld kon worden met een begeerte naar kennis. Als laatste maatregel vaardigde hij een kledingvoorschrift uit dat iedereen er toe verplichtte zich zo onaantrekkelijk mogelijk te kleden. Voor mannen werd het kostuum in al zijn varianten verboden en vervangen door een soort van dekkleed waaronder men aftandse sandalen diende te dragen. De prachtige vrouwen die het land rijk was werd, op straffe van verminking, verplicht helemaal niets meer van zichzelf te laten zien. Hiertoe kregen ze een helm op met daarop een vierkant geraamte waar overheen een soort van vierkante tent werd gedrapeerd. Het resultaat was dat elke vrouw er bij liep als een grote onherkenbare Thaise lampion.
Om zelfs de ogen aan het zicht te onttrekken werd deze tent uitgerust met een periscoop zodat de vrouw, zonder haar begeerlijke ogen te tonen, desondanks wel kon zien waar ze heen ging. Als laatste werd het de vrouw verboden producten van een man aan te nemen, daar ze dan haar elegante handen zou kunnen tonen, en zodoende verplicht tot het meenemen van een gezel naar de markt, al duizend jaar het terrein van de vrouw.
Al deze maatregelen leidden er toe dat een groot deel van de mannen binnen luttele tijd esthetofoob werd. Elke esthetische uiting kon er immers voor zorgen dat men het hoogst haalbare uit het oog verloor. Blootstelling aan esthetiek leidde in een aantal gevallen zelfs tot gezondheidsklachten. Zo kwam het regelmatig voor dat pasgetrouwde mannen in de huwelijksnacht flauwvielen door alleen de aanblik van zoveel schoons.
Omdat het noodzakelijk was voor het in stand houden van de bevolking was het huwelijk in eerste instantie nog wel toegestaan. Een niet gering percentage van de mannen echter raakte tijdens de huwelijksnacht in coma, shock of een andere levensbedreigende toestand waardoor men uit angst het leven er bij in te schieten ook van het huwelijk afzag. De oplossing die de koning hiervoor aandroeg laat zich, triest genoeg, raden. Hij verbood het huwelijk en verplichtte de meest potente, gelovige en sterke mannen tot het wekelijks inleveren van een potje bij één van de klinieken die er toe dienden de vrouwen kunstmatig te bevruchten.
Het land verkeerde enkele jaren in een toestand van totale daasheid. Alle begeerte was uitgebannen, niemand hield zich meer met iets moois bezig en het enige mooie waar men zich een voorstelling van kon maken was de hemel. Iedereen hoopte vurig hier terecht te kunnen komen en zo deden allen, of bijna allen, hard hun best om de wetten van de koning en zijn geleerde mannen zo goed mogelijk na te leven. De illegaliteit floreerde, maar zij die echt niet zonder de geneugten des levens konden liepen een groot risico. D straffen waren wreed en werden zonder pardon uitgevoerd. De verplichte militaire training werd trouw gevolgd en iedere dag werd er op gezette tijden tot de vertegenwoordiger van de koning in de hemel gebeden dat men het hoogste maar mocht bereiken.
Het systeem echter, keerde zich op een gegeven moment tegen zichzelf. De mannen raakten zo gefrustreerd door het totale gebrek aan esthetiek en begeerte dat zij uit pure verveling de wapens tegen elkaar opnamen. Toen zij inzagen dat het vrij zinloos was de eigen bevolking te blijven bestrijden trokken de meest fanatieke onder hen naar het buitenland om daar verder te strijden. Zo ook een zoon van de koning. Hij wilde de mensen in het buitenland doen inzien dat het in het land van zijn vader het beste was. Hiertoe verenigde hij zich met een paar andere gedrevenen en samen trokken ze er opuit om al het moois in de wereld te vernietigen.
Kunstwerken werden kapotgeslagen, dansers werd de grote teen afgehakt, alle spel werd gestopt onder dreiging van wapens en begeerlijke vrouwen die ze tegenkwamen werden, nadat enkele fanatiekelingen door deze aanblik flauwvielen, doorgaans verminkt of, als ze geluk hadden, gedwongen zich in de Thaise lampion te hullen. De meeste van deze fanatiekelingen werden door buitenlandse strijdkrachten aangehouden of gedood, maar daar zij geen enkele aardse begeerte kenden kon noch het één nog het ander hen deren.
Zat van de terreur van deze hongerige wolven, zoals ze door de meeste mensen werden genoemd, sloten de meest geteisterde en meest machtige landen een verbond om gezamenlijk koning Esthetophobos en zijn regime te verdrijven. De aanval was, zelfs voor de getrainde en bloedfanatieke troepen van de koning niet te weerstaan en hij zag zich uiteindelijk genoodzaakt de bergen in het oosten in te vluchten.
De bevolking van zijn voormalige land wist eerst niet wat het zag toen de buitenlandse legers hen weer in aanraking brachten met al het moois dat deze wereld te bieden had. De vrouwen verbrandden hun Thaise lampions, de mannen hun gewaden en sandalen. Het volk leefde weer op en het land begon weer te lijken op wat het geweest was in een ver en glorierijk verleden. De velden golfden weer in de wind, de stromen klaterden als nooit te voren en werden niet meer bewaakt door fanatiekelingen van de koning die zelfs dit moois voor de bevolking verborgen wilde houden.
De verdreven koning, die in het buurland op veel steun kon rekenen echter, verzamelde een grote groep fanatieke esthetofoben om zich heen die vol afgunst en begeerte naar de verworvenheden van hun voormalige landgenoten keken. De geschiedenis van jaren geleden herhaalde zich. De buitenlandse mogendheden probeerden het land te beschermen tegen de hongerige wolven die als een kolkende stroom uit de bergen op het land aanvielen, de bevolking richtte weer milities op en het land raakte verdeeld tussen hen die de rust van de voorbij periode verkozen boven de drukke maatschappij vol begeerte van nu en zij die de ontstane kansen op al het moois dat dit leven te bieden had omarmden...
Na jaren van uitzichtloze strijd tegen de ogenschijnlijk oneindige stroom van hongerige wolven werden de buitenlandse legers de strijd moe en vertrokken. Hierna viel het net bevrijde land weer uiteen. De verschillende rivaliserende stammen begonnen elkaar wederom te bestrijden en vielen één voor één ten prooi aan de troepen van de opvolger van Esthetofobos I: zijn zoon Esthetofobos II. De kledingfabrieken die jarenlang échte thaise lampions hadden gemaakt om de bevrijding te vieren produceerden weer de gehate gewaden; het traditionele spel van de waterdragers werd weer verboden; alle onderwijs werd per decreet afgeschaft en alle vrouwen die niet op tijd een Thaise lampiongewaad hadden weten te bemachtigen...
http://www.time.com/time/world/article/0,8599,2007269,00.html
De Gruwelende Groninger, 2010
dinsdag 20 juli 2010
Dolce far niente

De zon scheen fel vanuit zijn twaalfuurspositie. De weilanden waren al lang niet meer groen, droog was het, scherp de droge lucht: vol stof en stuifmeel van half verdorde grassen en bomen die in een laatste krachtinspanning hun restpartijen nageslacht de wereld in joegen. Het windje tegen maakte het er niet beter op en ondanks dat de nodige kilometers al onder hem doorgeschoten waren moest hij zeker nog een klein uur op de trappers staan voor hij er was.
Alleen de meest hardnekkige volhouders begaven zich op dit uur in de zon. Een paartje koolwitjes dat in een soort onzichtbare kluwen verstrengeld om elkaar heen fladderde; een buizerd op een paaltje en in de verte nog één, cirkelend op de termiek, die geen enkele hinder leek te ondervinden van de verzengende zonnehitte op zijn verenpak.
Waarom zou hij zich niet even te ruste leggen, daar onder die grote boom in de berm? Schaduw voor tien en bovendien reed er op dit landelijke weggetje geen kip, dus over stoorzenders hoefde hij zich geen zorgen te maken.
De zon had al een positie bereikt waarin de schaduw van de oude beuk zich meer horizontaal dan verticaal manifesteerde toen een vlinder op zijn neus neerstreek en hem wekte. Of het fladderende schepseltje hem had aangezien voor een bloemenkelk boordevol nectar of eenvoudigweg even pauze hield op dit solide uitziende rustpunt zullen we helaas nooit weten.
Bloemenkelk of veilige burcht: hij werd wakker. Na wat geknipper met de ogen – zoals dat gaat als een personage wakker wordt – keek hij wat om zich heen – zo gaat dat meestal verder – en ging vervolgens rechtop zitten – dat niemand hier ooit octrooi op heeft aangevraagd! Nadat hij de idylle om hem heen nog eens in ogenschouw had genomen, beide buizerds cirkelden nu in de hoge verte, ging hij maar weer liggen. Eén blik op zijn Citizen was voldoende geweest: hij was nu toch al te laat.
Het missen van een afspraak door vertraging onderweg of bij vertrek is de dichtste benadering van in de tijd reizen die er voor ons gejaagde stervelingen bestaat. De gebeurtenis verderop gaat toch wel door - als het ware in een parallel universum. De laatkomer daarentegen beschikt opeens over een zee van totaal oningevulde tijd. Tijd die nog vrijer is dan de meest waarachtige vakantie doordat er totaal geen gedachte aan gewijd is geweest tot het moment dat de lege tijd, volkomen onverwacht, daar is.
Al op zijn rug liggend zag hij doodkalm de witte wolkjes als kleine weeskinderen over drijven. De twee roofvogels boden een extra verrijking op de dynamiek van het schouwspel en het continue cirkelen van papa en mama buizerd zette de radertjes van zijn gedachten in gang.
Weer later en een hoop bijzonder onnavolgbare en nog onbeschrijfbaardere gedachten verder werd hij opgeschrikt door het langsscheuren van een typische plattelandsauto. De defender deed een hoop stof opwaaien en drukte, zich verschuilend achter deze dekking, in de bocht een hem tegemoet komende fietser finaal de berm in, waar deze vervolgens onderuit ging.
Hij liep naar de plaats delict – van de dader veel sporen, doch niets te zien – toe en zag het blonde meisje beteuterd naast haar fiets staan. Het voorwiel was niet meer als dusdanig te gebruiken en had enkel nog, gezien de temperatuur, in voorbije tijden model kunnen staan voor één van de schilderingen van Salvador Dalí. Zij was een jaartje of veertien, begenadigd met een niet onknap gezichtje dat nu heel beteuterd twee vochtige blauwe ogen omlijstte.
'Haar moeder zou haar niet kunnen halen want die had geen auto... en ze moest nog helemaal naar de stad toe.' Vertelde ze mij.
‘O, wat een LUL!’ Riep ze stampvoetend uit.
Hij bood haar zijn bagagedrager aan en even later stond de gemangelde fiets onder de beuk waar hij de afgelopen uren zo fijn vertoefd had en zat zij bij hem achterop.
Alle adem die zij uitspaarde en hij extra besteedde om hen beiden vooruit te krijgen gebruikte ze om hem op de hoogte te stellen van allerhande min of meer noemenswaardige feiten:
Ze zat in de tweede klas van het gymnasium, stond onvoldoende op de klassieke talen, maar ze vond het wel leuk en wilde het toch halen. Ze woonde alleen met haar moeder want d’r vader was voor zij ooit ‘papa’ had kunnen zeggen – hij had van haar grote zus al meer dan genoeg ‘papa’s’ gehoord, blijkbaar – het huis uit gegaan en ook deze grote zus woonde al op kamers, al kwam ze wel vaak langs. Ze was er vanavond ook, vandaar dat ze zo graag naar huis wilde.
Zij was bij een vriendinnetje geweest dat in ‘de weilanden’ woonde en waar ze een kalfje geboren had zien worden. Ze wilde nooit kinderen.
De arme moeder verloor haar kindje meteen, want het was een stiertje, en nog zieliger was de manier waarop het beestje er aan zijn poten met een soort krik uit getrokken werd. Maar het was toch een mooi gezicht geweest en het stiertje was zooooo lief... En toen moest ze nog dat hele eind terugfietsen en kwam die LUL die haar van de weg reed... en er had al een bochel in haar wiel gezeten en nu was ie helemaal stuk. Maar gelukkig was hij er en kwam ze toch nog op tijd thuis voor het eten. Maar wat deed hij daar eigenlijk?
‘Gewoon. Een beetje uitrusten.’ Antwoordde hij. En hij vertelde dat hij vervolgens in slaap was gevallen en dat hij daardoor nooit meer op tijd zou kunnen zijn voor zijn afspraak. Toen was hij nog maar even blijven liggen, besloot hij zijn verhaal.
Oftewel, dat wat wij al wisten, maar zij nog niet.
Hoewel hij haar sowieso thuis had afgezet was het toch mooi meegenomen dat ze vlak bij hem in de buurt woonde. Daar aangekomen ontkwam hij natuurlijk niet aan de kennismaking met de andere twee bewoonsters van het huis, de moeder en een nog niet genoemde overenthousiaste labrador met een eeuwige pavlovreflex en een genadeloos heen en weer slaande solide staart, en de zus die slechts op bezoek was. Hongerig als hij was na de vermoeiende fietstocht ging hij gretig in op het enthousiaste aanbod te blijven eten.
Hoewel niet van Joodse afkomst hadden ze klaarblijkelijk toch met zijn komst rekening gehouden: toen de porties verdeeld werden bleek er meer dan genoeg. Bier hadden ze echter niet in huis en dus moest hij genoegen nemen met een zeer zeker niet onaardig glas rode wijn dat eigenlijk veel beter bij het eten paste.
Het werd al snel duidelijk waar het verloren zusje haar vocabulaire talenten vandaan had. Tussen de licht slurpende happen spaghetti door ontrolde zich een zeer dynamisch disgesprek waar zelfs de ongeletterde dame van het gezelschap zich enthousiast in mengde, danwel door een piepje, een klap met de stokstaart tegen de tafelpoot, danwel door een instemmend of afkeurend ‘woef!’.
Dit was nodig om de regelmatig vastlopende discussie tussen moeder en dochters in het voordeel van één van beide partijen te beslechten. Hondlief werd dan benoemd tot bemiddelaar door de verdrukte partij onder het mom ‘zij vindt ook dat ik gelijk heb’.
Nu hadden ze het vandaag bijzonder getroffen, want afgezien van de extra activiteit die de blonde duracellhond door zijn aanwezigheid tentoonspreidde vormde de gast zelf een prima tussenpersoon, rechter, bliksemafleider – ‘maar wat doet onze gast eigenlijk als hij...’ – of veilige haven wanneer een van de drie dames in het heetst van de strijd een strategische terugtrekking verkoos om als lachende derde een leuk gesprek met de mannelijke disgenoot te beginnen.
Ik had graag omwille van de sensatie een huilbui, woede-uitbarsting, of, liever nog, een voedselgevecht tijdens het toetje beschreven, maar daar het hier een net gezin in een net klein huisje betreft bleef verder spektakel helaas achterwege. De vraag is ook of hij iets dergelijks wel had aangekund na een hele middag zalig nietsdoen onder een boom. In het ergste geval was hij halverwege het voedselgevecht gillend naar huis gerend en dat zou voor ons een wel heel grote tegenvaller hebben betekend daar we hoe dan ook hadden willen weten wie de meeste yoghurt had moeten incasseren...
Het toetje werd in een rap tempo en relatieve rust verorberd waarna hij zich geroepen voelde te vertrekken. Daar niet elk verhaal een sensationeel einde heeft – en wij bovendien niet álles hoeven te weten – bleef het afscheid beperkt tot tien zoenen; drie op de wang van elke dame op twee benen en een hele natte lik over zijn hand van de trouwe viervoetster, met tot slot nog een warme knuffel van de gereddene.
Abonneren op:
Posts (Atom)