maandag 23 april 2012

Mediadruk

Een paar weken geleden, het was nog geen voorjaar, maar wel zonnig, liep ik van Amsterdam Centraal Station richting het Oosterdok. Op dit traject heb ik bijna altijd haast en om een paar sekonden te winnen snijd ik dan elk mogelijk stuk af. Zo ook bewuste dag. En terwijl ik met radde tred aan links de fietsenstalling voorbijbeende herkende ik opeens de laatmiddelbare man die tien meter voor mij zijn fiets aan het vastketenen was.
Gebogen en naar de grond starend stond daar Job Cohen. Hij had de klap van het falen van zijn nationale politieke carriere ogenschijnlijk nog niet verwerkt. Onberispelijk gekleed als altijd stond hij daar – zwarte mantel, rode das. Gebogen. Ik had met hem te doen.

Mijn geheugen blikte terug. Hij was eens bij een concert geweest waar ik zong. Rechts naast hem, hij zat op de eerste rij, zat een grijze vrouw in een rolstoel. Af en toe keek hij naar haar. Achteraf vertelde men mij dat dat zijn vrouw is. Ik was enigszins verbaasd. Ze hielden beide van muziek en musea. Ook van hedendaagse componisten.
 Cohen is in mijn ogen een goed man, een nobele ziel. Eentje van het zwaarste kaliber. Sinds jaar en dag zorgt hij voor zijn zieke vrouw, ik meen dat ze aan MS lijdt, werkt hij zich in het zweet voor de burger als staatssecretaris, als burgemeester en tot voor kort als voorman van de Partij van de Arbeid.
Het schijnt mij toe dat hij niet maalt om macht, maar dat zal te naïef zijn. Feit is dat hij altijd blijft zorgen voor zijn hulpbehoevende vrouw... en ik twijfel er niet aan of de frisse alternatieven zullen zich aan de lopende band aan hem aanbieden. Tot voor kort in ieder geval.

Gebroken stond de goede man daar. Ik wilde hem vertellen dat met zijn vertrek het laatste beetje fatsoen uit de nationale politiek verdwenen was; hem toebijten dat hij geen sekonde zijn ogen mocht neerslaan; dat het enkel te prezen viel dat hij tegen de aanvallen Rutger Castricum ogenschijnlijk geen verweer had.
De beelden van de ‘interviews’ van deze ploert zijn rijkelijk voorhanden op youtube. Soms is het vermakelijk, bijna altijd smakeloos. Mensen die niets te melden hebben laat hij praten, die met een boodschap valt hij in de rede en neemt hij triomfantelijk kijkend op de hak. Of beter, licht hij pootje. Powned! Lachuhh!

Ik wilde hem vertellen dat ik zijn vermoeidheid begreep, maar dat hij zich nu beaat en bevrijd door het leven kon bewegen. Bevrijd van alle idioten die zich bedienen van enkel oneliners en puntige prietpraat. Beaat lasteloos fluitend. Het was volbracht, immers. Een van te voren verloren zaak. Een hart onder de riem. Dat had hij nodig, ik voelde het. Het mijne mocht hij hebben. Zijn vrouw heeft niets aan een gebroken man. Ik ademde diep in. ‘Wat als hij niet weet hoe hij moet reageren’ flitste het door mijn hoofd....

Ik liep voorbij. Keek hem recht aan, waarschijnlijk met de quasi-onderzoekende blik (ken ik jou?) die ik altijd opzet als ik een bekende Nederlander tegenkom – volledig geoorloofd bij Jan Jaap van der Wal en Hans Teeuwen, niet bij Finkers en Cohen. Mannen die je respectvol met meneer plus achternaam aanspreekt – maar zei niets.
Toen ik langs het bordje met de tekst van Simon Carmiggelt liep: links het nieuwe hotel, rechts het water en de Prins Hendrikkade had, ik spijt. Ik had mijn mond gehouden en er fout aan gedaan. Ik wist het. En ik wist wat Cohen voelde, nog beter dan doorvoor: zo voelde het om onder invloed van de media je sociale boodschap niet kwijt te kunnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten