dinsdag 20 juli 2010

Dolce far niente













De zon scheen fel vanuit zijn twaalfuurspositie. De weilanden waren al lang niet meer groen, droog was het, scherp de droge lucht: vol stof en stuifmeel van half verdorde grassen en bomen die in een laatste krachtinspanning hun restpartijen nageslacht de wereld in joegen. Het windje tegen maakte het er niet beter op en ondanks dat de nodige kilometers al onder hem doorgeschoten waren moest hij zeker nog een klein uur op de trappers staan voor hij er was.
Alleen de meest hardnekkige volhouders begaven zich op dit uur in de zon. Een paartje koolwitjes dat in een soort onzichtbare kluwen verstrengeld om elkaar heen fladderde; een buizerd op een paaltje en in de verte nog één, cirkelend op de termiek, die geen enkele hinder leek te ondervinden van de verzengende zonnehitte op zijn verenpak.
Waarom zou hij zich niet even te ruste leggen, daar onder die grote boom in de berm? Schaduw voor tien en bovendien reed er op dit landelijke weggetje geen kip, dus over stoorzenders hoefde hij zich geen zorgen te maken.

De zon had al een positie bereikt waarin de schaduw van de oude beuk zich meer horizontaal dan verticaal manifesteerde toen een vlinder op zijn neus neerstreek en hem wekte. Of het fladderende schepseltje hem had aangezien voor een bloemenkelk boordevol nectar of eenvoudigweg even pauze hield op dit solide uitziende rustpunt zullen we helaas nooit weten.
Bloemenkelk of veilige burcht: hij werd wakker. Na wat geknipper met de ogen – zoals dat gaat als een personage wakker wordt – keek hij wat om zich heen – zo gaat dat meestal verder – en ging vervolgens rechtop zitten – dat niemand hier ooit octrooi op heeft aangevraagd! Nadat hij de idylle om hem heen nog eens in ogenschouw had genomen, beide buizerds cirkelden nu in de hoge verte, ging hij maar weer liggen. Eén blik op zijn Citizen was voldoende geweest: hij was nu toch al te laat.

Het missen van een afspraak door vertraging onderweg of bij vertrek is de dichtste benadering van in de tijd reizen die er voor ons gejaagde stervelingen bestaat. De gebeurtenis verderop gaat toch wel door - als het ware in een parallel universum. De laatkomer daarentegen beschikt opeens over een zee van totaal oningevulde tijd. Tijd die nog vrijer is dan de meest waarachtige vakantie doordat er totaal geen gedachte aan gewijd is geweest tot het moment dat de lege tijd, volkomen onverwacht, daar is.

Al op zijn rug liggend zag hij doodkalm de witte wolkjes als kleine weeskinderen over drijven. De twee roofvogels boden een extra verrijking op de dynamiek van het schouwspel en het continue cirkelen van papa en mama buizerd zette de radertjes van zijn gedachten in gang.

Weer later en een hoop bijzonder onnavolgbare en nog onbeschrijfbaardere gedachten verder werd hij opgeschrikt door het langsscheuren van een typische plattelandsauto. De defender deed een hoop stof opwaaien en drukte, zich verschuilend achter deze dekking, in de bocht een hem tegemoet komende fietser finaal de berm in, waar deze vervolgens onderuit ging.
Hij liep naar de plaats delict – van de dader veel sporen, doch niets te zien – toe en zag het blonde meisje beteuterd naast haar fiets staan. Het voorwiel was niet meer als dusdanig te gebruiken en had enkel nog, gezien de temperatuur, in voorbije tijden model kunnen staan voor één van de schilderingen van Salvador Dalí. Zij was een jaartje of veertien, begenadigd met een niet onknap gezichtje dat nu heel beteuterd twee vochtige blauwe ogen omlijstte.
'Haar moeder zou haar niet kunnen halen want die had geen auto... en ze moest nog helemaal naar de stad toe.' Vertelde ze mij.
‘O, wat een LUL!’ Riep ze stampvoetend uit.

Hij bood haar zijn bagagedrager aan en even later stond de gemangelde fiets onder de beuk waar hij de afgelopen uren zo fijn vertoefd had en zat zij bij hem achterop.
Alle adem die zij uitspaarde en hij extra besteedde om hen beiden vooruit te krijgen gebruikte ze om hem op de hoogte te stellen van allerhande min of meer noemenswaardige feiten:
Ze zat in de tweede klas van het gymnasium, stond onvoldoende op de klassieke talen, maar ze vond het wel leuk en wilde het toch halen. Ze woonde alleen met haar moeder want d’r vader was voor zij ooit ‘papa’ had kunnen zeggen – hij had van haar grote zus al meer dan genoeg ‘papa’s’ gehoord, blijkbaar – het huis uit gegaan en ook deze grote zus woonde al op kamers, al kwam ze wel vaak langs. Ze was er vanavond ook, vandaar dat ze zo graag naar huis wilde.
Zij was bij een vriendinnetje geweest dat in ‘de weilanden’ woonde en waar ze een kalfje geboren had zien worden. Ze wilde nooit kinderen.
De arme moeder verloor haar kindje meteen, want het was een stiertje, en nog zieliger was de manier waarop het beestje er aan zijn poten met een soort krik uit getrokken werd. Maar het was toch een mooi gezicht geweest en het stiertje was zooooo lief... En toen moest ze nog dat hele eind terugfietsen en kwam die LUL die haar van de weg reed... en er had al een bochel in haar wiel gezeten en nu was ie helemaal stuk. Maar gelukkig was hij er en kwam ze toch nog op tijd thuis voor het eten. Maar wat deed hij daar eigenlijk?
‘Gewoon. Een beetje uitrusten.’ Antwoordde hij. En hij vertelde dat hij vervolgens in slaap was gevallen en dat hij daardoor nooit meer op tijd zou kunnen zijn voor zijn afspraak. Toen was hij nog maar even blijven liggen, besloot hij zijn verhaal.
Oftewel, dat wat wij al wisten, maar zij nog niet.

Hoewel hij haar sowieso thuis had afgezet was het toch mooi meegenomen dat ze vlak bij hem in de buurt woonde. Daar aangekomen ontkwam hij natuurlijk niet aan de kennismaking met de andere twee bewoonsters van het huis, de moeder en een nog niet genoemde overenthousiaste labrador met een eeuwige pavlovreflex en een genadeloos heen en weer slaande solide staart, en de zus die slechts op bezoek was. Hongerig als hij was na de vermoeiende fietstocht ging hij gretig in op het enthousiaste aanbod te blijven eten.
Hoewel niet van Joodse afkomst hadden ze klaarblijkelijk toch met zijn komst rekening gehouden: toen de porties verdeeld werden bleek er meer dan genoeg. Bier hadden ze echter niet in huis en dus moest hij genoegen nemen met een zeer zeker niet onaardig glas rode wijn dat eigenlijk veel beter bij het eten paste.
Het werd al snel duidelijk waar het verloren zusje haar vocabulaire talenten vandaan had. Tussen de licht slurpende happen spaghetti door ontrolde zich een zeer dynamisch disgesprek waar zelfs de ongeletterde dame van het gezelschap zich enthousiast in mengde, danwel door een piepje, een klap met de stokstaart tegen de tafelpoot, danwel door een instemmend of afkeurend ‘woef!’.
Dit was nodig om de regelmatig vastlopende discussie tussen moeder en dochters in het voordeel van één van beide partijen te beslechten. Hondlief werd dan benoemd tot bemiddelaar door de verdrukte partij onder het mom ‘zij vindt ook dat ik gelijk heb’.
Nu hadden ze het vandaag bijzonder getroffen, want afgezien van de extra activiteit die de blonde duracellhond door zijn aanwezigheid tentoonspreidde vormde de gast zelf een prima tussenpersoon, rechter, bliksemafleider – ‘maar wat doet onze gast eigenlijk als hij...’ – of veilige haven wanneer een van de drie dames in het heetst van de strijd een strategische terugtrekking verkoos om als lachende derde een leuk gesprek met de mannelijke disgenoot te beginnen.

Ik had graag omwille van de sensatie een huilbui, woede-uitbarsting, of, liever nog, een voedselgevecht tijdens het toetje beschreven, maar daar het hier een net gezin in een net klein huisje betreft bleef verder spektakel helaas achterwege. De vraag is ook of hij iets dergelijks wel had aangekund na een hele middag zalig nietsdoen onder een boom. In het ergste geval was hij halverwege het voedselgevecht gillend naar huis gerend en dat zou voor ons een wel heel grote tegenvaller hebben betekend daar we hoe dan ook hadden willen weten wie de meeste yoghurt had moeten incasseren...

Het toetje werd in een rap tempo en relatieve rust verorberd waarna hij zich geroepen voelde te vertrekken. Daar niet elk verhaal een sensationeel einde heeft – en wij bovendien niet álles hoeven te weten – bleef het afscheid beperkt tot tien zoenen; drie op de wang van elke dame op twee benen en een hele natte lik over zijn hand van de trouwe viervoetster, met tot slot nog een warme knuffel van de gereddene.