vrijdag 14 mei 2010

De laatste trein.

Station Amersfoort. Volgens de planning zou ik zo rond middernacht op mijn bestemming arriveren. Hoewel het al laat was en het bovendien nog wel even zou duren was het toch een fijne gedachte dat du moment dat ik zou ophouden mijzelf van stoelverwarming te voorzien ik in de parel van het noorden gearriveerd zou zijn.
Het in de trein zitten op een dergelijk tijdstip, zeker na een vruchtbare repetitie, heeft als voordeel dat je absoluut niet de noodzaak voelt je met iets nuttigs bezig te houden. Het simpelweg gadeslaan van de andere nachtelijke reizigers, van het voorbijrazende zwart achter de weerspiegeling van het raam... het absolute summum van het zalige nietsdoen, terwijl alles wat je doet in sneltreinvaart voor je gedaan wordt.
Na een half uurtje begon het te kriebelen. Ik begon me te wijden aan wat achterstallig sms-onderhoud. Ondertussen nog steeds regelmatig het zwarte gat, af en toe onderbroken door een kort ding-ding-ding, begeleid door rode knipperlampjes gadeslaand. Terwijl ik net op verzenden drukte remde de grote gele koploper opeens met een noodgang af.
‘sukkel’ mompelde ik in mezelf, veronderstellend dat het weer eens aan een overenthousiaste machinist lag die in plaats van een viesgekleurde envelop uit Leeuwarden op de deurmat, een baksteen op het rempedaal krijgt als hij de snelheidslimiet overschrijdt.
Ik werd echter snel van deze illusie afgeholpen door een bibberige vrouwenstem die mij vanuit het dak van de trein mededeelde dat deze trein voorlopig NIET verder ging vanwege een aanrijding.
Elf uur ’s avonds, vertelde een blik op mijn horloge mij. 'Welke idioot werpt zich nou op dit onchristelijke tijdstip – in de biblebelt nota bene – voor de trein? Nu ja, niets aan te doen,' dacht ik, en mijn medereizigers met mij. De meesten gingen rustig door met waar ze mee bezig waren. Ik ook, ook al was ik goedbeschouwd nergens mee bezig. En daar ging ik dan ook rustig mee verder.
Interessante gedachten schoten door mijn hoofd. Terwijl ik achter mij een vrouw hardop de berichten van de NS-site hoorde voorlezen bedacht ik mij dat twintig jaar geleden zowel het internet als de mobiele telefonie nog in de kinderschoenen stond en niemand het op dat moment voor mogelijk had gehouden dat tegen de tijd dat de peuter voor hem – ik in 1990 – enigszins volwassen zou zijn geworden, half Nederland een mobiele telefoon zou hebben die over sneller internet beschikte dan de beste verbindingstechnologie uit die tijd kon bieden.
In lijn hiervan besloot ik dat het ook maar eens tijd werd voor een echte mannentelefoon. Na een kwartier gaf ik deze gedachte weer op, daar ik geen idee had hoe een ‘echte mannentelefoon’ er uit zou moeten zien. Metaal. Dat was wat er in mij opkwam, misschien in combinatie met hout of leer...

Om half twaalf kwam de belofte dat we binnen 50 minuten weer verder zouden rijden. Ondertussen stond het aanbod voor een logeerbed in de buurt al. Desondanks bleef ik stug hopen op een hotel in Zwolle, op kosten van de NS wel te verstaan.

Een volgende gedachte was dat het best wel zinloos was om daar als trein te blijven staan. Goed beschouwd lag de plaats delict al lang en breed achter ons en was er van het slachtoffer dat in een klap haar leven en mijn treinreis had beeindigd waarschijnlijk weinig meer over. Ik zag de politie, het ambulance- en NS-personeel al staan:
Terwijl een EHBO’er de pols van een afgeworpen hand voelt en met zijn hoofd schudt vraagt de agent eerste klasse ‘dood?’ Vervolgens maakt hij proces-verbaal op. Doodsoorzaak: trein. Locatie: spoor. Dader: slachtoffer.
Bovenstaande overpeinzing is eigenlijk een gemaakt grappige inleiding op de kern van de zaak waartoe we zojuist zijn doorgedrongen. Wie is er in zo’n geval slachtoffer?

Ik hield me hier op dat moment natuurlijk helemaal niet mee bezig, maar was wel degelijk met iets nuttigs aan de slag gegaan: het doornemen van het repertoire voor het volgende concert. Onder begeleiding van de juiste muziek vliegt de tijd en zodoende kwam het dat het voor ik het wist zover was dat de trein weer begon te rijden. Binnen tien minuten kwam ook de toezegging dat er doorgereden zou worden tot Groningen. Geen hotel helaas.
Zo kwam het dat ik, na drie uur lang mijzelf van een warm achterste te hebben voorzien, in Groningen uit de trein stapte. Mijn taxi stond een metertje of vijftig verderop, maar door een geniale denkfout van de ontwerper van het station moest ik meer dan vijf minuten lopen om daar te komen.
In de tussentijd was het ‘statische’ NS-personeel bezig met het schoonmaken van het interieur van de trein. Het toilet bij de eersteklascoupé echter, bleef ook na meerdere malen kloppen hardnekkig op slot en dus werd besloten de loper op het slot te zetten.
In het kleine hokje lag een man. Dood. Een plasje, al enigszins aangekoekt bloed lag onder hem op de vieze vloer. Iets dat door de reinheid die bloed van nature bezit nog meer benadrukt werd. Voor de verbouwereerde mannen, die intussen de kleur van hun groengele hesjes hadden aangenomen, lag het enige echte slachtoffer van de gebeurtenis.
Reconstructie wees uit dat op het moment dat een wanhopige vrouw ter hoogte van station Putten haar leven vergooide en daarmee de machinist dwong een noodstop te maken deze man, Johan geheten en reiziger eersteklas, net zijn gulp dichtritste na een kleine boodschap waar hij al vanaf station Amersfoort tegenaan aan het hikken was. Door de kracht van de noodstop uit zijn evenwicht geraakt viel hij voorover en kwam hierbij met zijn slaap tegen de spoelhendel van het toilet terecht – of dit ook het gewenste effect heeft gehad was overigens niet meer te achterhalen.
Door de klap verloor hij het bewustzijn en viel vervolgens op de grond. Hij was in een coma geraakt, verloor ondertussen het bloed dat als de inhoud van een omgegoten pot stroop aan de vloer plakte en zakte steeds verder weg. Toen hij drie uur later gevonden werd was hij dood. De zelfmoord van een wanhopige vrouw en een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden waren hem fataal geworden.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd was het enige dat mij aan de gebeurtenissen van de avond ervoor herinnerde een lichte vermoeidheid en een enigszins ontregelde biologische klok. Het verhaal van het ongelukkige slachtoffer van de bewuste vrijdagavond moest ik ’s maandags in de krant lezen. In de rubriek korte berichtjes binnenland.