vrijdag 31 december 2010

Zalig uiteinde

Tien! Negen! Acht! Zeven! Zes! Vijf! Vier! Drie! Twee! Eén! Gelukkig nieuwjaaaaar!! Een oorverdovend lawaai barst los, de hemel licht op in alle kleuren van de regenboog. Champagne guts over de randen van de glazen, mensen verdringen zich om haar driemaal te zoenen. Ze lacht. Luid. Ze wist zelf ook niet waarom.

De avond was al vroeg begonnen. Rond een uur of acht was ze door de stille mistige straten naar het huis van één van haar vriendinnen gefietst voor de oliebollen en de oudejaarsconference. De druppeltjes stonden als koude herfstdauw in haar zwarte wenkbrauwen.
Toen ze binnenkwam had een van de aanwezigen opgemerkt dat het net leek alsof ze door de grachten was komen zwemmen, zo nat was ze.
Ze keek de kamer rond. De stemming zat er al goed in. De eerste lege flessen bubbelwijn stonden op de hoek van het aanrecht. De grond lag bezaaid met kringen poedersuiker, hier en daar een kon je uitglijden over een platgestampt stuk meel met of zonder krenten. De tv die op vol volume stond te loeien werd overstemd door de geanimeerde gesprekken die de ruimte volledig vulden.
Ze had haar vochtige jas nog niet uit of ze kreeg in haar ene hand een oliebol en in de andere een goedgevulde champagneflute geduwd. Iedereen lachte hard. Ze had waarschijnlijk de beste grap van de avond gemist.

Tegen twaalven gingen ze de straat op. De grote bult zwarte jassen werd door vele handen zorgvuldig doorwoeld op zoek naar de eigen winterwarmer. Zij wachtte rustig af. Inderdaad kwam na enkele ogenblikken haar indigoblauwe exemplaar naar boven, nog steeds een beetje vochtig van de mist.
Op straat stonden verschillende groepjes mensen te wachten tot bij het aanbreken van het nieuwe jaar het startschot zou worden geven voor enthousiaste zoenpartijen met onbekende buren. Ondertussen werden er wat verkleumde zinnen uitgesproken als ‘laat dat nieuwe jaar maar komen’, ‘ik hoop dat het in het nieuwe jaar wat minder koud is’ of ‘komt er nog wat van!’
Een nieuw jaar is als een tsunami. Het komt niet sneller, noch langzamer. Het komt vanzelf.

Het nieuwe jaar was daar en het was alsof de Eerste Wereldoorlog opnieuw was uitgebroken. Met dit verschil dat de strijd die vanuit de loopgraven van de stad werd gevoerd zich niet in horizontale maar in verticale richting manifesteerde. Door de steeds dichter wordende mist kwamen de schimmen aangelopen, sommigen zich vooruit haastend, anderen reeds zwalkend als een schip. Tussen de tweede en de derde klapzoen van een naar bier ruikende buurman door zag ze een bekende gestalte de mist uit komen fietsen.
‘Anna!’ Riep ze de straat over. Anna stopte. ‘Myra’ riep ze terug. Hoe is het. ‘Goed’ riep Myra, terwijl ze snel de straat overstak.

Het volgende moment zag ze al haar vroegste herinneringen weer voor zich. Hoe ze met Anna de tuin van de buren inslopen om de buurman met zijn treintjesverzameling te zien spelen. Hoe ze hun eerste verliefdheden aan elkaar onthulden. Zij was op Paul, omdat hij zo’n stoere blauwe trui had. Hoe ze samen naar het meertje in de buurt fietsten om daar een hele dag in de zon te liggen luieren. Hoe ze samen hun eerste string kochten... Nog veel meer herinneringen verschenen haar voor het geestesoog. Ze lachte. Ze voelde zich licht worden van geluk.

En terwijl de veldslag tegen het hemelgewelf onverminderd doorging was het in de nauwe straat doodstil geworden. Myra’s vriendinnen staarden lijkbleek naar de besmeurde blauwe jas op de grond terwijl de chauffeur van de grote grijze Mercedes, die met een rotgang uit de mist was komen opdoemen wanhopig naar boven keek: ‘Ik had haar echt niet gezien’.