Roland Gisla was een kleine man. Onbeduidend, zo beschreef men hem in de stad wel. De enige tabakszaak die het stadje rijk was had Roland, tegen wil en dank, van zijn vader geërfd. Hoewel hij altijd een hekel had gehad aan tabakslucht en haar verspreiders – en zich liever verdiepte in de botanie – was er geen uitweg mogelijk. Zijn vader zou hem eigenhandig de keel afsnijden in het geval hij zijn erflot zou ontvluchten.
En zo werd Roland tabaksverkoper. Met een ongewenste, doch grote expertise binnen het vak voorzag hij zijn klanten, waarvan hij de meesten al jaren kende van pijp, sigaret, asbak en aansteker. Dat hij zijn afnemers norser bejegende dan de toiletjuffrouw van een tankstation haar broodgevers nam men voor lief. Al was Rolands afkeer voor zijn eigen handel een favoriet gespreksonderwerp binnen verstokte rokerskringen: de herenclub, de huisartsenvereniging en de straatprostituees.
De voorzitter van de herenclub in het bijzonder, hield er van de ongelukkige Roland nog meer te kwellen dan al het geval was. Dit deed hij door in geuren en kleuren te vertellen over de sensaties die die ene speciale sigaar hem laatst verschaft had... of door te demonstreren wat voor mooie wolkjes hij kon uitblazen – net voor de deur, want in de zaak van Roland werd niet gerookt.
Het kwellen van de ongelukkige eigenaar van ‘De Sigaar’, zoals de zaak nu dubbel toepasselijk heette, was niet enkel voorbehouden aan de herenvoorzitter. Ook de straatprostituees wisten Roland op de kast te krijgen. Niet door wolkjes te blazen of de sensaties van de tabak zelf te beschrijven, nee, zij deden dit door al zuchtend en steunend te verklaren dat alleen de beste sigaret voldeed voor het bekronen van het genot dat sommige klanten verschaften. (Roland, botanicus in hart en nieren – behalve waar het de tabaksplant betrof, uiteraard – had weinig op met de vleselijke lusten en gaf de voorkeur aan ongeslachtelijke voortplanting.)
Alsof dat nog niet genoeg was kwamen ook de huisartsen hem met enige regelmaat lastigvallen met hun verhalen. Hoewel zij toch beter zouden moeten weten zwoeren zij bij hoog en bij laag dat er veel minder kwaad school in dat plantje dan men beweerde. Bovendien was een goede sigaar de enige juiste voorbereiding op een injectie of een andere ingreep die een vaste hand vereiste.
Het laat ons geen twijfel dat Roland zich buiten werktijden het liefst bezighield met zijn ware passsie: de botanie. ’s Avonds zat hij gebogen over zijn boeken – waar de pagina’s met tabaksplanten vanzelfsprekend waren uitgescheurd. ’s Ochtends stond hij in alle vroegte in zijn tuin: te snoeien, te sproeien of zijn dierbaren zachtjes toe te fluisteren.
Hij had een bijzondere voorkeur voor giftige planten. Machtig en onaantastbaar schenen deze hem toe. Niet de meest dodelijke, nee, die planten die langzaam doodden, en zo met hun gif veel meer succes oogstten verdienden zijn grootste bewondering.
’s Zondags ging hij graag in de bossen op zoek naar nieuwe planten/exemplaren(2x) voor in zijn tuin. (Hoewel hij al een ogenschijnlijk oneindige variëiteit aan soorten in zijn tuin had gepoot vond hij bijna altijd wel een exemplaar dat hij nog niet had.) Elk nieuw exemplaar kreeg een week lang extra aandacht van hem. Hij fluisterde ze toe met nog meer tederheid en gaf ze water uit zijn beste regenton. Daarna bleef hij staan kijken tot de winkelbel de eerste klant aankondigde. Roland trok dan een nors gezicht en liep, al donker kijkend, naar binnen.
De voorzitter van de herenclub kwam niet meer. Hij had al hoestend zijn laatste mooie wolkje uitgeblazen en was met veel egards door de clubleden begraven.
Meteen na de plechtigheid barstte de diadogenoorlog los. Vier kandidaten dongen naar de troon. Uiteindelijk werd degene benoemd die de zwaarste sigaren rookte en de mooiste wolkjes blies. Alles bleef bij het oude.
Ook de oude prostituee die zo sappig kon vertellen over hoe ze aan haar trekken kwam vond Magere Hein op haar pad. De klant merkte het pas na afloop; toen ze niet meteen naar het nachtkastje greep om de geur van zweet en vaginaal vocht met dikke tabakswolken te verdrijven.
Voor haar moest een speciale kist gebouwd worden. De reden hiervoor was dat men haar benen niet meer bij elkaar kon krijgen. Om verdere kosten te besparen werd ze in een aan de voetenkant enigsins uitgediept graf gezet.
Ook onder de artsen waren slachtoffers te betreuren. De meesten vonden de dood vlak na of tijdens het toedienen van de meest pijnlijke injecties. De patiënten die het geluk hadden dat de dood na de prik kwam dachten stuk voor stuk iets in de trant van ‘Net goed!’, anderen hadden minder geluk en moesten met afgebroken naalden in arm of been de begrafenis bijwonen.
Daar geen enkele arts het meer aandurfde kleine ingrepen te doen en bovendien, door het gedecimeerde gilde, de wachtlijsten oneindig lang werden liep al gauw een groot deel van de stad voortdurend met een mitella of mank.
De lokale politie legde al snel een verband tussen het roken en de te betreuren doden. De beste rechercheurs echter, mochten graag hun zaken oplossen onder het genot van een sigaartje of pijp en zodoende kwam de ware toedracht nooit aan het licht.
De bevolking werd simpelweg geadviseerd het roken op te geven. Degenen die hier geen gehoor aan gaven... enfin, hun lot laat zich raden.
Nu de klandizie drastisch terugliep vond Roland eindelijk voldoende tijd o zijn geliefde tuin de aandacht te geven die deze verdiende. Men kon hem nu dagelijks kruiwagens vol planten uit het bos naar huis zien duwen.
Zijn plantjes bleken tot onmogelijke dingen in staat. Zo hebben we aan het onderzoek van de (nu) beroemde professor Gisla het ferrofluans-kruid te danken: een kruising tussen een brand- en een dovenetel die, wanneer als compres gebruikt, in staat is metalen die zich onder de huid bevinden te doen oplossen. Een vinding waarvoor alle patiënten van het uitgestorven artsengilde hem eeuwig dankbaar was.
Het was voor zijn onderzoek naar de tixiciteit van tabak echter dat hij zijn eredoctoraat van de universiteit ontving. Het bewijs van zijn bevindingen vormde zijn eigen stad: nadat de inwoners het roken hadden opgegeven en de laatste volhouders de pijp aan maarten hadden overhandigd had de bevolking al gauw de hoogste levensverwachting van het hele land.
En hoewel men nog lange tijd fluisterde dat de professor de tabak uit zijn eigen winkel had vergiftigd werd daarvoor nooit enig bewijs gevonden.
En de winkel? Die werd omgedoopt tot ‘Het Snoeimes’ en groeide uit tot het eerste tencentrum ter wereld.
woensdag 24 augustus 2011
Abonneren op:
Posts (Atom)