De stiltecoupé. Deze dient sowieso vermeden te worden, tenzij je er in je eentje zitten kunt, maar op die manier wordt elke coupé tot stiltecoupé. Bovendien is het dan meestal zo rustig in de trein... nee, de stiltecoupé dient vermeden te worden.
Ik denk overigens dat het lange zoeken komt doordat ik er nog niet helemaal over uit ben waar ik op uit ben deze treinreis. Rustig lezen, een praatje maken, een flirt, slapen... Mogelijkheden te over.
‘Tsss...’ Volgende coupé – na de eersteklas wagon – en ja hoor, in de eerste vierzits zit het dameskransje. Viva’s in de aanslag. Vooralsnog bestrijden ze de sfeer enkel nog verbaal, maar wie weet wat er nog allemaal komen gaat. Verder maar weer.
Die citaten uit de Viva, die zijn misschien wel het ergst. Ze beginnen allemaal met “moet je horen wat ik hier lees...” of iets dergelijks en eindigen met ‘zo’n blik’. Nee, geen idee? Zo’n blik die zegt: “errugghee?” Ja, idee? Mooi!
Volgende coupé maar weer. En dit was de blauwe lagune, het walhalla, hier ging ik zitten. Alles zat vol behalve de centrale vierzits, daar was nog een plek. Natuurlijk lachte mijn toekomstige overbuurvrouw mij hartelijk toe. Ik ben geen zijn oren opblazende adolescent, geen contactgestoorde belfread die nooit de moeite neemt om te leven op de plek waar hij, of vaker nog, zij, zich op dat moment bevindt. Nee, ik ben zo iemand die een boek leest, vraagt of je nog ver moet en je bagage voor je uit het rek tilt – tenzij je erg lelijk of sjagrijnig bent, eerlijk is eerlijk. Ze kon het, kortom, slechter treffen. En ik ook...
‘Hoi, is deze plek vrij?’ Rhetorische vraag natuurlijk.
‘Ja hoor, ga zitten.’ Niet erg rhetorisch antwoord.
‘Zal ik deze even boven leggen?’ Ze had zo’n beenruimtewerende zwarte rolkoffer voor haar strak opgevouwen benen staan.
‘...’
Een instimmende glimlach en een licht blosje betekenden niet ‘nee’, dus ja.
‘Waar moet je naartoe?’
‘Amsterdam, jij?’
‘Utrecht. Maar ik beloof je dat ik hem ook weer naar beneden til voor je.’
‘...’ We weten nu wat dit betekent...
Ik zat, eindelijk. Het is heel cliché, maar precies op dat moment ging de trein rijden. Een banaliteit die me totaal was ontgaan als de helft van het oudere echtpaar, de man of de vrouw...? De vrouw natuurlijk, mij er op dat moment niet op had geattendeerd. Gevolgd door “en netjes op tijd.” “Ja.” Zei de man hierop. ‘...’ was voor hen beiden al lang verleden tijd. Behalve deze korte uitspatting zou het links van mij de hele verdere reis stil blijven. Hij las een bijlage van de Volkskrant, zij telde schaapjes en sliep wat.
Ik pakte mijn boek – Russische literatuur voor de verandering – en stortte mij in de perfecte taal, sfeer en het perfecte ritme vavn Toergenjew. Het is dat het niet meer bestaat, maar anders had ik geheid het metrum van het verhaal exact aan het ‘kden kdeng’ van de wielen op de ruimtes tussen de stukken rails kunnen koppelen. In luttele sekonden bevond ik mij in een wereld die getekend werd door uitgestrekte landschappen en prachtige meisjes van 17 in lichte zomerjapens. Dit alles beschreven door de échte mannen uit de 19e eeuw. Mannen die óók de bagage voor je op het rek tilden, met dit verschil dat ze dit nog steeds deden als je lelijk of sjagrijnig was.
In Zwolle schrok ik op door de lichte schok waarmee het aankoppelen gepaard kan gaan. Door deze lichte schok was ook het stralende schepsel tegenover mij losgerukt van haar leesregels van de hand van één van ’s lands beroemdste thrillerschrijfsters. Zonder ze ooit gelezen te hebben dacht ik precies te weten hoe deze boeken in elkaar zitten en was er dan ook weinig in geïnteresseerd. Omwille van deze perfecte gelegenheid was ik echter best bereid mijn vooroordeel opzij te zetten en haar te vragen waar het over ging, hierbij enige onwetendheid veinzend.
De eerlijkheid gebied me te bekennen dat van de gehele inhoudelijke uitleg geen woord tot me doordrong en ik de conversatie enkel en alleen voedde aan de hand van haar intonatie en sprekende ogen. Om mezelf nog geloofwaardiger te laten overkomen draaide ik mijn benen die ik onder druk van de linkse Volkskrant buiten de vierzits had gestoken nog wat verder naar buiten, klapte de armsteun naar beneden en leunde, gesteund door dit nieuw verworven hulpmiddel, lichtjes voorover.
Deze houding werd door haar al vrij snel overgenomen toen ik vol vuur en al citerend over Toergenjew begon uit te wijden. De reeds aanwezige inkijk verwerd hierdoor tot een prachtig inzicht. Ik had al gezien dat ze een donkerpaarse BH droeg – door de bandjes – nu wist ik zeker dat deze ook nog eens van kant was. Dat beviel me.
Natuurlijk las ik de beschrijving van het meisje voor. ‘...’ was de reactie.
‘...’ dat was ik.
Nu viel er natuurlijk een stilte en had ik, even natuurlijk, te maken met een black-out.
In de vierzits naast ons zat een niet al te lelijke jojngeman mij met een blik vol afgunst aan te staren. Ergens achterin de coupé was er alsnog één aan het bellen geslagen, of bellend binnengekomen, dat wist ik echt niet meer. De brug waren we al over. De wereld ging zijn gang, panta rei, maar mijn hoofd was compleet zwart, als een keihard dichtgevroren poel van gedachten.
‘Wat doe je in Amsterdam?’
Ik kón niet anders. De jongen met de afgunstige blik lachte me in stilte uit, de beller zou het de hele wereld vertellen. Waar ik had gezeten was een groot en gapend gat in de bodem van de trein ontstaan. Het enige dat aan mijn aanwezigheid herinnerde was de koffer op het bagagerek en mijn netjes opgevouwen mantel daar naast.
‘Studeer je?’ Vulde ik mijzelf maar even aan.
‘ja.’ Dus geen ‘...’. Ik had het gevoel alsof ik heel diep moest zuchten.
‘Wat, als ik vragen mag? Of heb je ook een huisleraar, net als Zinaïda?’
‘Nee.’ (Bijna in de vorm van ‘...’.) ‘Ik studeer’ hoe kon het ook anders ‘ aan de filmacademie.’.
Tegen de tijd dat we in Amersfoort arriveerden was de afgunstige blik van de jongen weer helemaal terug, vertelde de vrouwelijke helft van het echtpaar ons dat ze er waren – de andere helft wist het al – en pakte ik zoals beloofd de koffer weer van het bagagerek.
‘Pak je jas ook maar’
‘...?’ Dat was ik. Een combinatie van ‘...’ en ‘?’.
‘...’ Dat waren wij allebei.
Rechts van mij gaapte een heel groot gat in de bodem van de trein. Het enige dat de afgunstige jongen had achtergelaten was een boekje over taalwetenschap dat aan de Universiteit Utrecht veel gebruikt wordt.
Van de beller wist ik nog net op te vangen dat hij nú in Amersfoort was.