Zodra ik de hoek om draai snijdt de oktoberstorm me de adem af. Naar lucht happend zoekt mijn hoofd dekking tussen mijn schouders. Hoewel ik met mijn volle gewicht op de trappers sta zijn de kinderkopjes onder mij stuk voor stuk te onderscheiden. Een bruinrood beukenblad dat mij in het gezicht slaat lijkt me de das om te doen, maar op het laatste moment stroomt de zuurstof mijn longen in, zakt mijn lichaam met zijn volle gewicht naar beneden en vervagen de individuele kinderkopjes onder mij weer tot de gebruikelijke grijze massa. Ik fiets luid zingend verder. Zephyros heeft het nakijken en stort zich achter mij op een volgend haastig slachtoffer.
De herfst is in zijn volle hevigheid losgebarsten. Nu de gemiddelde costabezoeker zijn bruine kleurtje al lang heeft moeten inruilen voor de TL-tint van de veertiguurseconomie lijkt het pigment van de bladeren aan de bomen eindelijk te zijn bezweken voor de ongenadige invloeden van een zomer lang zon.
Ik hou van de herfst. Ik hou van de tunnels van schilderachtigheid die met al hun pracht en praal de zomer in de schaduw van de herinnering doen vervagen. Want dat is wat de herfst in al zijn essentie is; het tijdperk van de herinnering. Terwijl de najaarsstormen om je heen razen, de regen tegen de ruiten slaat en je meewarig naar de zich vooruitvechtende voorbijgangers zit te kijken komen de beste herinneringen boven.
Een eenzame strandwandeling biedt gelegenheid te over om bij het oorverdovende kabaal van de beukende noordzeegolven de mooiste klanken uit het verleden te doen weergalmen. Begeleid door de herinneringen van enkele maanden oude zomerliefdes die mij links en rechts voorbijlopen denk ik aan vrouwen die ik gekend heb, innige geluksmomenten op, in en bij het water, voorbije vakanties met vrienden en nog te realiseren toekomstplannen...
Mijn oog valt op een andere eenzame ziel. Een middelbare vrouw staat als op een 19e eeuws schilderij naar de horizon te turen. Ik blijf enkele meters achter haar staan en speur de horizon af op zoek naar wat haar blik zo vast gevangen lijkt te houden. Ondertussen spoelt het water, een wit spoor trekkend, om haar voeten, slaat haar zwarte haar tegen haar schouders... zij blijft doodstil staan.
Tussen ons en de horizon liggen enkele zeeschepen, staat een booreiland het potentieel van de aarde om te zetten in economische groei en drijven enkele kok-, zilver- en mantelmeeuwen op de wind heen en weer. Ik zie ‘het’ niet en loop verder. Zij blijft staan.
Het koude zand, het ijzige water en de westenwind hebben al het gevoel uit mijn voeten verdreven. Toch lijk ik meer te voelen dan anders. Een religieus aandoend bewustzijn overvalt me. Ik denk terug aan hoe ik eens na een concert, met Bachs devotie nog in mijn hoofd en mijn zwarte pak nog aan door een vrouw met de kleuren en de geur van de herfst werd meegevraagd naar huis. Ze bleek net zo grillig als het seizoen dat ze belichaamde: stralend als de mooiste septemberzon en weerbarstig als de ergste novemberstorm. Het is nooit wat geworden.
Het volgende moment zet ik mijzelf terug op het houten achterdek van een geankerd zeiljacht. Ik zie de zon in de zee zakken en heb het idee dat ik de essentie van het leven aan het ontrafelen ben. Nadat de zon allang onder de kim verdwenen was kwam ik tot de conclusie dat de essentie van het leven net zo ontrafelbaar was als de Gordiaanse knoop van Alexander de Grote. Weer op het strand denk ik aan de plundering van Persepolis, de pracht die in vlammen opging en door het gedonder en geraas waarmee het paleis ineenstort realiseer ik me dat ik trek heb. Met een waterig winterzonnetje en de al iets afgenomen wind in het gezicht loop ik terug. De starende vrouw is verdwenen.
Terugkeren in de bewoonde wereld is enigszins een teleurstelling. De slagregens hebben zich verenigd met de rukwinden en de al invallende duisternis in een driebond van koude en maken het er niet beter op. Met mijn kraag opgetrokken, en god zij dank de wind in de rug raas ik terug naar huis – zonder enige notie te nemen van de onaflatende stroom slachtoffers van het trekgat waar ik eerder vandaag zelf bijna het onderspit moest delven.
Thuis. Warm en droog. Eerst muziek, dan eten. Iets uit de romantiek, liefst met een dramatische sopraan. Er gaat niets boven koken met de klaterende regen op het dak en de kristalheldere klanken van Joyce Didonato er onder.
Als mijn gast vertrokken is zit ik met het laatste glas wijn in de hand uit het raam te staren. Het leed van de voorbijgangers buiten maakt dat ik mij nog comfortabeler voel dan ik al deed.
Om zijn gasten te plezieren huurde Charles Dickens naar verluid armen in om voor het raam ‘brrr’ te doen. Het edele volk binnen zou de warme wijn en de brandende haard, om nog maar te zwijgen van het gezelschap van de goede gastheer zelf, dan beter weten te waarderen. Ik kan het me levendig voorstellen.
Ik denk terug aan mijn wandeling van vanmiddag. Aan de vrouw die als een eigentijdse Alcyone in de verte stond te turen. Zou haar man op zee zetten?
Als de echo van Joyce al lang is verstomd, de wijn opgedronken en ik lichtelijk beneveld in mijn bed lig denk ik nog eens aan de plaats waar zij had gestaan. En terwijl de slaap mij langzaam maar zeker meevoert naar de onpeilbare diepten van de nacht is het laatste dat mij voor de geest komt een klein blauw vogeltje dat over de toppen van de wit schuimende branding scheert.
De Groene Groninger, 2010.
woensdag 3 november 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)