vrijdag 13 augustus 2010

Sprookje

Lang lang geleden in een land ver hier vandaan leefde eens een koning. Het land was zoals alle landen uit de verhalen erg mooi. Er waren hoge bergen in het oosten en diepe dalen in het westen. Klaterende beken en kolkende rivieren mondden uit in verstilde meren en in de zee in het noorden. Wuivende velden werden afgewisseld door verlaten wouden en tussen al dit moois kon men de meest unieke dieren vinden zoals de brilaap, die in de bossen leefde en daarbij ook als huisdier werd gehouden omdat hij zo snel leerde praten. In de velden kronkelde de appelslang, die het liefst in appelbomen leefde, en vond je, als je geluk had, de wilde woelrat welke een opvallende voorkeur voor gelijkgeslachtelijke geslachtsgemeenschap tentoonspreidde. Verder waren er wolven in de bergen, herten in de dalen, vissen in de beken en vele vogels in de lucht.

Met zijn volle baard, grote kroon, lange mantel en ijzeren scepter was de heerser van dit land in heel zijn verschijning een echte koning. Hoewel hij altijd zo was geweest was hij niet altijd koning geweest. Het land dat hij regeerde was lange tijd verdeeld geweest tussen de verschillende rivaliserende stammen die er leefden. Alsof dit niet al erg genoeg was had een grote stam uit een van de buurlanden haar pijlen gericht op de rijkdommen van het land van ons verhaal. De stam was het land binnengevallen en had de macht gegrepen. De inheems stammen bestreden elkaar, de buitenlandse stam bestreed de inheemse stammen die gezamenlijk weer de buitenlandse stam bestreden. Oorlog, doodslag en plundering waren aan de orde van de dag. Niemand was zijn leven zeker. Niets was zeker.
Toen op een dag de buitenlandse stam inzag dat de overheersing van het land een uitzichtloze zaak was verlieten zij het land en lieten het over aan de oorlogvoerende stammen die als een uitgehongerde roedel wolven over het land raasden. Nu weer elkaar aanvallend, dan weer bondgenootschappen sluitend, maar altijd verdeeld. Alle bewoners van het land probeerden zich te wapenen tegen deze terreur. Ieder dorp richtte zijn eigen militie op die moest waken over het welzijn van de oogsten, de vrouwen, de kinderen en het vee. De milities deden wat ze konden, maar waren vaak niet opgewassen tegen de terroriserende stammen die dan weer ’s nachts, dan weer overdag de dorpen binnenvielen; de milities afslachtend, de vrouwen verkrachtend en de kinderen en het vee meevoerend. Wat achterbleef waren veraste geraamtes van huizen en de verminkte lijken van de bewoners. Niemand was zijn leven zeker. Dat was zeker.

De latere koning wist op een dag, als hoofd van de militie van een groot dorp in het zuidoosten van het land, een aanval van de hongerige wolven, zoals de roofstammen werden genoemd, af te slaan. Hij betaalde de plunderaars met gelijke munt terug: de rovers slachtte hij af, de leiders martelde hij dood en werden als voorbeeld tentoon gespreid en de buit verdeelde hij onder zijn milities. Het nieuws van het succes van de latere koning en zijn militie verspreidde zich als een lopend vuurtje door het land en al gauw meldden velen zich aan om mee te vechten in zijn groep. De hongerige wolven kregen de andere kant van de medaille gepresenteerd en waren vanaf nu, als waren ze een kreupel hert, voortdurend op de vlucht voor de pijlen van de koning en zijn jachtroedel.
Toen hij het land grotendeels had gezuiverd van de bendes hongerige wolven kroonde hij zichzelf tot koning Esthetophobos I. Geïnspireerd door het oostelijke buurland, waar een relatieve rust heerste, nam hij de strenge wetten van dat land over en handhaafde deze met ijzeren scepter. De jaren van voortdurende onzekerheid behoorden tot het verleden. Tenminste, zo leek het.

Omdat, in de ogen van de koning, alle ellende was ontstaan door begeerte was zijn grootste wens alle begeerte de kop in te drukken. Als niemand meer zou begeren zou het met de strijd en twist snel gedaan zijn en zou er eeuwige rust en vrede heersen in het land dat hij met zijn troepen had herenigd. Hij zette zich op zijn koningszetel van ruw berghout en begon te peinzen. Wat wekte zoal zijn begeerte? In de eerste plaats natuurlijk de vrouw met al haar schoonheid. Maar, complex probleem als dit was, zonder vrouwen zou het land binnen enkele jaren uitgestorven zijn... Verder ging zijn begeerte uit naar bezit, maar niet naar alle bezit. Zo hoefde hij bijvoorbeeld echt geen geld als hij er niets voor kon kopen. Verder kwam hij tot de conclusie dat een leven zonder begeerte welhaast onmogelijk was, daar de mens, als er niets meer te begeren is, alle hoop op verbetering van zijn levensstandaard verliest.
Na lang nadenken en het raadplegen van de wijze en geleerde mannen van het land werd besloten dat alle begeerte gericht moest zijn op iets dat zich niet op deze aarde bevond. De man, en de vrouw in zijn kielzog, moest streven naar het hoogste bezit, maar dit bezit moest niet op aarde te vinden en liefst zo goed als onbereikbaar zijn. Hiervoor schiep hij de hemel. Deze was er voor hen die een goed leven hadden geleid en kon men vinden na de dood. In de hemel wachtte de mens alles wat zijn hartje begeerde en dit alles in overvloed. Daar geduld een schone zaak is moest iedereen het maar opbrengen zo lang te wachten.
Om het wachten niet te lastig te maken verbood hij eenvoudigweg alle mooie dingen; muziek, dans, feesten... zelfs de traditionele volkssport werd verboden. De opzet van dit spel was simpel: twee teams moesten zo snel mogelijk een bak met water proberen te vullen. De moeilijkheid zat hem in de staart. Elke bak – van aanzienlijk formaat – namelijk, was onderaan voorzien een gaatje met een stop erin. Ging deze stop eruit dan was de bak, die met veel pijn en moeite gevuld was, binnen enkele ogenblikken weer helemaal leeg. Elk team bestond uit renners, die zo snel mogelijk het water uit een bron moesten putten; aanvallers, die de stop uit de bak van de tegenstander moesten trekken en verdedigers, die de aanvallers moesten tegenhouden.
Verder verbood de koning elke verdere vorm van kunst en vermaak, vernietigde hij alle bestaande kunstvoorwerpen en verbood bovendien het meer dan basale onderwijs, zodat ook niemand opgezadeld kon worden met een begeerte naar kennis. Als laatste maatregel vaardigde hij een kledingvoorschrift uit dat iedereen er toe verplichtte zich zo onaantrekkelijk mogelijk te kleden. Voor mannen werd het kostuum in al zijn varianten verboden en vervangen door een soort van dekkleed waaronder men aftandse sandalen diende te dragen. De prachtige vrouwen die het land rijk was werd, op straffe van verminking, verplicht helemaal niets meer van zichzelf te laten zien. Hiertoe kregen ze een helm op met daarop een vierkant geraamte waar overheen een soort van vierkante tent werd gedrapeerd. Het resultaat was dat elke vrouw er bij liep als een grote onherkenbare Thaise lampion.
Om zelfs de ogen aan het zicht te onttrekken werd deze tent uitgerust met een periscoop zodat de vrouw, zonder haar begeerlijke ogen te tonen, desondanks wel kon zien waar ze heen ging. Als laatste werd het de vrouw verboden producten van een man aan te nemen, daar ze dan haar elegante handen zou kunnen tonen, en zodoende verplicht tot het meenemen van een gezel naar de markt, al duizend jaar het terrein van de vrouw.

Al deze maatregelen leidden er toe dat een groot deel van de mannen binnen luttele tijd esthetofoob werd. Elke esthetische uiting kon er immers voor zorgen dat men het hoogst haalbare uit het oog verloor. Blootstelling aan esthetiek leidde in een aantal gevallen zelfs tot gezondheidsklachten. Zo kwam het regelmatig voor dat pasgetrouwde mannen in de huwelijksnacht flauwvielen door alleen de aanblik van zoveel schoons.
Omdat het noodzakelijk was voor het in stand houden van de bevolking was het huwelijk in eerste instantie nog wel toegestaan. Een niet gering percentage van de mannen echter raakte tijdens de huwelijksnacht in coma, shock of een andere levensbedreigende toestand waardoor men uit angst het leven er bij in te schieten ook van het huwelijk afzag. De oplossing die de koning hiervoor aandroeg laat zich, triest genoeg, raden. Hij verbood het huwelijk en verplichtte de meest potente, gelovige en sterke mannen tot het wekelijks inleveren van een potje bij één van de klinieken die er toe dienden de vrouwen kunstmatig te bevruchten.

Het land verkeerde enkele jaren in een toestand van totale daasheid. Alle begeerte was uitgebannen, niemand hield zich meer met iets moois bezig en het enige mooie waar men zich een voorstelling van kon maken was de hemel. Iedereen hoopte vurig hier terecht te kunnen komen en zo deden allen, of bijna allen, hard hun best om de wetten van de koning en zijn geleerde mannen zo goed mogelijk na te leven. De illegaliteit floreerde, maar zij die echt niet zonder de geneugten des levens konden liepen een groot risico. D straffen waren wreed en werden zonder pardon uitgevoerd. De verplichte militaire training werd trouw gevolgd en iedere dag werd er op gezette tijden tot de vertegenwoordiger van de koning in de hemel gebeden dat men het hoogste maar mocht bereiken.
Het systeem echter, keerde zich op een gegeven moment tegen zichzelf. De mannen raakten zo gefrustreerd door het totale gebrek aan esthetiek en begeerte dat zij uit pure verveling de wapens tegen elkaar opnamen. Toen zij inzagen dat het vrij zinloos was de eigen bevolking te blijven bestrijden trokken de meest fanatieke onder hen naar het buitenland om daar verder te strijden. Zo ook een zoon van de koning. Hij wilde de mensen in het buitenland doen inzien dat het in het land van zijn vader het beste was. Hiertoe verenigde hij zich met een paar andere gedrevenen en samen trokken ze er opuit om al het moois in de wereld te vernietigen.
Kunstwerken werden kapotgeslagen, dansers werd de grote teen afgehakt, alle spel werd gestopt onder dreiging van wapens en begeerlijke vrouwen die ze tegenkwamen werden, nadat enkele fanatiekelingen door deze aanblik flauwvielen, doorgaans verminkt of, als ze geluk hadden, gedwongen zich in de Thaise lampion te hullen. De meeste van deze fanatiekelingen werden door buitenlandse strijdkrachten aangehouden of gedood, maar daar zij geen enkele aardse begeerte kenden kon noch het één nog het ander hen deren.

Zat van de terreur van deze hongerige wolven, zoals ze door de meeste mensen werden genoemd, sloten de meest geteisterde en meest machtige landen een verbond om gezamenlijk koning Esthetophobos en zijn regime te verdrijven. De aanval was, zelfs voor de getrainde en bloedfanatieke troepen van de koning niet te weerstaan en hij zag zich uiteindelijk genoodzaakt de bergen in het oosten in te vluchten.
De bevolking van zijn voormalige land wist eerst niet wat het zag toen de buitenlandse legers hen weer in aanraking brachten met al het moois dat deze wereld te bieden had. De vrouwen verbrandden hun Thaise lampions, de mannen hun gewaden en sandalen. Het volk leefde weer op en het land begon weer te lijken op wat het geweest was in een ver en glorierijk verleden. De velden golfden weer in de wind, de stromen klaterden als nooit te voren en werden niet meer bewaakt door fanatiekelingen van de koning die zelfs dit moois voor de bevolking verborgen wilde houden.
De verdreven koning, die in het buurland op veel steun kon rekenen echter, verzamelde een grote groep fanatieke esthetofoben om zich heen die vol afgunst en begeerte naar de verworvenheden van hun voormalige landgenoten keken. De geschiedenis van jaren geleden herhaalde zich. De buitenlandse mogendheden probeerden het land te beschermen tegen de hongerige wolven die als een kolkende stroom uit de bergen op het land aanvielen, de bevolking richtte weer milities op en het land raakte verdeeld tussen hen die de rust van de voorbij periode verkozen boven de drukke maatschappij vol begeerte van nu en zij die de ontstane kansen op al het moois dat dit leven te bieden had omarmden...
Na jaren van uitzichtloze strijd tegen de ogenschijnlijk oneindige stroom van hongerige wolven werden de buitenlandse legers de strijd moe en vertrokken. Hierna viel het net bevrijde land weer uiteen. De verschillende rivaliserende stammen begonnen elkaar wederom te bestrijden en vielen één voor één ten prooi aan de troepen van de opvolger van Esthetofobos I: zijn zoon Esthetofobos II. De kledingfabrieken die jarenlang échte thaise lampions hadden gemaakt om de bevrijding te vieren produceerden weer de gehate gewaden; het traditionele spel van de waterdragers werd weer verboden; alle onderwijs werd per decreet afgeschaft en alle vrouwen die niet op tijd een Thaise lampiongewaad hadden weten te bemachtigen...


http://www.time.com/time/world/article/0,8599,2007269,00.html


De Gruwelende Groninger, 2010

Geen opmerkingen:

Een reactie posten