Op de steppes van Oostelijk Europa leefde eens de familie Brkód. De Brkóds waren welgesteld en bezaten vele landerijen die rijkelijk graan, wol en vlees opbrachten. Bovendien was het landgoed gelegen aan een beek die als energiebron voor de molen diende en in zilverheid alleen werd overtroffen door de oogverblindend schitterende vissen die de nooit tevergeefs wachtende vissers er vingen. In het berkenbos stikte het van de konijnen en af en toe kwamen de jagers zelfs met een wild zwijn of een hert terug van hun tochten.
Het enige dat een kleine bedreiging vormde voor de vredige rust waarmee Brkódowo zich een weg door de geschiedenis baande waren de roedels wolven die in de streek rondwaarden. Oorlogen had het landgoed nog nooit gezien. De enige oorlog die de huidige bewoners hadden meegemaakt had de graanprijzen omhoog doen schieten op de zelfde manier waarmee datzelfde graan dat elke lente door de kracht van de zon had gedaan. Van vader Brkód mocht het altijd wel oorlog zijn, grapte hij zo nu en dan.
De zomers in dit aardse paradijs waren, zoals iedereen zich kan voorstellen, ronduit heerlijk. De kinderen speelden bij de beek, waar ze naar de vissers keken die geduldig wachtend van onder hun zonnehoed naar hun dobbers tuurden. Of ze gingen, als ze genoeg hadden van de beek – of de vissers van hen – naar het bos waar ze de stoere houthakkers hielpen de berkestammetjes te klieven. Als ze, overmoedig geworden, naar de grote kloofbijl grepen en ook hier waren weggestuurd gingen ze met de herders in het gras zitten om te luisteren naar de verhalen die deze mannen zo mooi konden vertellen.
De heer van het landgoed zelf leidde het werk, van de bijna duizend paar handen die hielpen het bedrijf welvarende te houden, in goede banen. Hij coordineerde de opslag van goederen, maande de maaiers en vervolgens de dorsers tot spoed, hielp de herders bij het scheren – ook hij hield van mooie verhalen – en zorgde dat eenieder zijn deel van de opbrengst kreeg.
De heer Brkód was er namelijk heilig van overtuigd dat vrije boeren beter werk leverden dan de slaven die op de rest van de landgoederen in de buurt het werk deden. Alle bewoners van Brkódowo stond het vrij op enig moment te vertrekken, of, minstens zo belangrijk voor het succes van het landgoed, van professie te veranderen. Op Brkódowo volgde de zoon niet automatisch de vader op. De zoon van een visser kon herder worden als hij dat wilde, de dochter van de herder stond het vrij om haar leven aan het spinnen te wijden of te kiezen voor een taak als waterdraagster, weefster, of meid bij de heer Brkód thuis.
Voor de slimsten onder de kinderen had de heer Brkód een school van uit de beek gewonnen bakstenen laten bouwen. Hier werden kinderen opgeleid tot smid, timmerman, bouwmeester, secretaris, griffier of schoolmeester. De meisjes leerden, apart van de jongens, lezen en schrijven, een ambacht, weven bijvoorbeeld, dansen, muziek maken en goede manieren, zodat sommigen zelfs aan het hof van de keizer geen slecht figuur zouden slaan.
De paar uitblinkers die zonder enige moeite de school doorliepen onderwees de heer Brkód, als al het werk voor de dag gedaan was zelf. De landheer, die aan de keizerlijke universiteit had gestudeerd, onderwees zijn oogappels vol overgave en op hoog niveau in de kunsten, zoals muziek en dans, maar ook in de schilderkunst, in de filosofie, de wisunde en de economie. Eén van zijn leerlingen, zo vertelde hij meer dan eens, was nu de adviseur van de keizer geworden – en het was vooral te danken aan diens adviezen dat de keizer enkele jaren later de slavernij definitief zou afschaffen. Maar dat weten we nu nog niet.
Het landgoed van de heer Brkód was wat wij zouden kunnen omschrijven als een paradijselijk landgoed. Er was voor iedereen de kans om het maximale uit zichzelf te halen en aan de immer groeiende welvaart leek geen einde te komen.
In het stralende middelpunt van dit paradijs genoot de landheersfamilie een zeer verdiend welvarend leven. In huize Brkód ontbrak het de bewoners aan niets. Elke avond kwamen de lekkerste gerechten op tafel; verse forel uit de beek, een lam dat die middag nog door de heer zelf was geslacht, konijn uit het berkenbos... dit alles bereid door de fantastische koks die hun werk vol liefde deden.
Na het diner volgde de soirée waarvoor eenieder zijn mooiste kleren aantrok. De muziek werd verzorgd door de muzikanten van het landgoed. Men danste, van het plezier de tijd vergetend, tot diep in de nacht waarna soms, als sluitstuk van de avond, één van de herders werd gevraagd nog een verhaal te vertellen; hiherbij verhaalde de één steevast over spoken, een ander altijd over wilde dieren en een volgende immer over de liefde, zodoende de dromen van zijn toehoorders voor die nacht bepalend.
Er was echter één ding dat het totale geluk voor de landheer en zijn familie in de weg stond: de winter. Het was niet zozeer de winter zelf, met haar zachte witwollen deken, die het ongeluk betekende – er waren genoeg voorraden om twee winters te doorstaan als het moest – en ook was er genoeg leuks te beleven: schaatsen op de bevroren beek, genieten van het knarsen van de verse sneeuw onder je laarzen of het houden van een sneeuwballengevecht... nee, het was iets geheel anders.
Al zo lang als men zich kon heugen, namelijk, wilde de haard van het landhuis niet branden. Verschillende bouwmeesters hadden het geheel, de haard én de schoorsteen, meerdere malen onderzocht, maar er leek niets mee mis. Het hout in de schouw vatte eenvoudigweg niet vlam; alsof het heiligen uit lang vervlogen tijden waren, grapte mijnheer Brkód wel eens. De rest van de bewoners had het over een vloek: er rustte een vloek op de haard en hij zou nooit branden.
Na een winter lang koude lijden werd het gelukkig ook voor de landheer en zijn gezin weer lente. De warme voorjaarszon reduceerde het probleem met de haard tot een futiliteit uit een ver verleden en de vloek werd, zoals elk jaar, weer vergeten. De vissers zaten weer aan de waterkant, de herders lagen weer in het gras, de zaaiers floten om het hardst en de kinderen speelden weer verstoppertje bij de molen, in het bos en rond het landhuis.
Het was in de late lente van dat jaar dat het kleine klasje van de landheer er een opvallende verschijning bijkreeg. Lucie heette ze, Lucie Vera. Ze had zwart haar dat enigszins rood oplichtte in de zon, een huid zo licht als de vacht van een pasgeboren lammetje, ledematen zo recht als de beste berken uit het bos, een stem zo helder als de klaterende beek en ogen... ze waren vochtig en vlammend tegelijk, in een kleur die nog het meest op het roodbruin van de vos van de landheer leek.
Heer Brkód werd meteen gegrepen door haar scherpe geest. Ze sprak op heldere toon als haar iets gevraagd werd, antwoordde zeer scherp en ook haar vragen sneden altijd hout. Desondanks leek ze vaak met haar gedachten ergens anders. Dan vlamden haar ogen warm en vochtig op en staarde ze door alles en iedereen heen. ‘Zo moet Medusa gekeken hebben’ dacht Brkód dan. Na de lessen ging ze altijd meteen de deur uit. ‘Tot morgen!’ klonk het helder, en weg was ze.
Buiten zat ze, stil als de reiger aan de overkant, bij de beek naar een in het water staande forel te staren, gefascineerd door de manier waarop de vis even snel tegen de stroom inzwom als hij erdoor werd meegevoerd, of lag ze op haar rug naar de wolken te kijken. Ze was liever alleen en negeerde de bewonderende blikken van de jongemannen en het gefluister van de afgunstige meisjes volkomen.
Voor de winter werden de lessen verplaatst naar de smidse, waar het dankzij de voortdurend brandende oven wél warm was.
Op een koude herfstdag zat Lucie in de salon van het landhuis, waar ’s zomers de lessen werden gegeven, toen de landheer er binnenkwam. Hij zocht zijn rijlaarzen. Hij was aan de late kant, maar wilde te paard naar de smidse gaan – het was zeker een half uur lopen – om zo meteen zijn vos opnieuw te laten beslaan. Hij vroeg haar wat ze daar deed, ze kon immers nooit meer op tijd zijn voor de les.
‘We kunnen toch ook hier zitten.’ Klonk het helder door het vertrek. Er was iets in die opmerking die hem twee keer deed nadenken voor hij toch zei dat het hier veel te koud zou worden. Lucie keek hem op haar beurt niet begrijpend aan: ‘maar ik heb de haard aangestoken.’ Zei ze.
Brkód kon zijn ogen bijna niet geloven. Inderdaad, de haard brandde als een tierelier. Het vertrek was heerlijk warm en pas nu merkte hij dat hij stond te zweten in zijn frak.
Hij pakte evengoed zijn rijlaarzen, reed evengoed naar de smidse, maar keerde nadat hij alle leerlingen had opgedragen direct naar de salon te komen spoorslags weer terug om Lucie te vragen hoe ze het had klaargespeeld om die vervloekte haard aan de gang te krijgen.Het antwoord was, zoals de meeste van haar antwoorden kinderlijk eenvoudig: ‘gewoon, met de zwavelstokjes.’
Het werd de beste les in tijden en ze gingen speciaal een half uur langer in op de fuga, daar ze nu wél de beschikking hadden over de pianoforte.
Al gauw bleek dat Lucie een ongekende interesse voor het klassieke element vuur tentoonspreidde. Ze ging niet meer als eerste de salon uit, maar bleef in de vlammen zitten staren tot iedereen, op de landheer na, vertrokken was. Af en toe gooide ze een berkenblok in de vlammen dat haast ogenblikkelijk vlamvatte en het vuur tot ongekende hoogte deed oplaaien.
De herders in de velden, die het verhaal van het wonder met de haard ook hadden gehoord, meenden af en toe de vlammen zelfs uit de schoorsteen te zien komen.
De landheer liet haar haar gang gaan. Ze ging weg als er voldoende hout op het vuur lag om de haard tot de volgende ochtend brandende te houden. Dan keerde ze terug om de gang erin te houden, waarbij ze rustig een uur bleef zitten kijken hoe het vuur zich van de koude en hongerige nacht herstelde en weer even hoog oplaaide als toen ze het had achtergelaten.
Toen ze een keer ziek was probeerde de heer Brkód zelf het vuur gaande te houden. Bij het eerste blok dat hij in de schouw wierp echter, doofden de vlammen al en bleef er enkel een hoopje smeulende as over. Toen hij op een middag in de salon kwam en het vuur weer laaiend en gierend aantrof wist hij dat ze weer beter was.
Het werd de gelukkigste winter die de landheer ooit had gekend. Zijn colleges gaf hij met evenveel vuur als Lucie in de schouw wist te ontsteken en bovendien konden de soirées deze winter ook gewoon doorgaan.
Als ze de vlammen uit de schoorsteen niet zagen, hoorden de herders in de velden in ieder geval de muziek die vuriger klonk dan ooit tevoren en zo de kille winteravonden met een ongekende warmte vervulde.
Die lente gingen de vissers net als alle voorgaande jaren weer aan de beek zitten; de herders op hun rug in het gras liggen en floten de zaaiers als altijd om het hardst. Alles leek goed. Lucie echter, bleef maar doorgaan met de haard brandende houden. Ze kon simpelweg geen genoeg krijgen van de gloed van de vlammen, waardoor de salon al gauw gelijkenissen met de smidse begon te vertonen.
Toen de landheer Lucie probeerde uit te leggen dat het vuur nu niet meer nodig was staarde ze verdrietig in de vlammen. Hoe gehecht hij ook was aan Lucie en haar vurigheid, Brkód zag zich genoodzaakt de zwavelstokjes weg te nemen en het vuur te doven. Hij gooide er eenvoudigweg een berkenblok op.
Van toen af leek er ook iets gedoofd in Lucie. Haar ogen en haren werden doffig en haar stem verloor aan helderheid. Net als vroeger trok ze meteen na de lessen de deur van de salon open, maar het heldere ‘tot morgen’ werd niet meer gehoord.
Nog steeds ging ze alleen bij de beek in het water zitten staren, maar de glimlach die ze altijd op haar gezicht had gehad was verdwenen, ook als ze op haar rug de gang van de wolken gadesloeg.
Brkód voelde haar treurigheid. Hij werd er zelf door gegrepen en bemerkte eens temeer hoezeer hij gesteld was geraakt op zijn sterleerlinge. Hij miste haar scherpe antwoorden, haar rake vragen, haar heldere stem... maar meest van al miste hij haar vurige blik.
Hij legde de zwavelstokjes weer op de schouw. Lucie negeerde ze. Zelfs toen het kouder begon te worden stak ze geen vinger naar ze uit en de klas zag zich genoodzaakt die winter weer naar de smidse te gaan.
Hier richtte ze haar ogen vol meewaar op de oven van de smid. Af en toe lichtten ze even op en klonk de stem weer helder als het klateren van de beek door het lokaal, maar bijna direct daarna viel Lucie weer terug in haar eerdere toestand en was de sintel die even was gaan gloeien weer gedoofd.
De herders in de velden zagen die winter noch het vuur uit de schoorsteen oplaaien, noch hoorden zij de warme klanken van de soirées. Dicht bij elkaar zittend vertelden ze elkaar al klappertandend dat deze winter nog kouder was dan alle voorgaande.
Iedereen hoopte vurig dat Lucie zich zou laten overtuigen van de noodzaak van haar talent, maar ze leek doof vaar alle aansporingen. Haar ogen bleven kil.
Tot op een dag de landheer haar vroeg of ze die middag naar de salon wilde komen. Hij moest nog wat werk afmaken, maar zou daarna zo snel mogelijk komen. Ze knikte ten teken dat ze het begrepen had.
Brkód had zich goed voorbereid. Hij had de mooiste berkeblokken laten aanrukken en achter de doos met zwavelstokjes had hij een olielamp gezet, zodat de gloed daarvan haar aandacht zou trekken.
Toen hij na zijn inspectieronde de salon binnenkwam zat Lucie op haar knieën naast de schouw met de zwavelstokjes in haar hand. Eén voor één streek ze ze af en liet ze vervolgens weer uitdoven. Voor haar lagen tientallen halfzwarte houtjes op de grond.
Brkód dacht bij zichzelf: ‘we zijn er bijna’, en vroeg haar waarom ze de zwavelstokjes telkens liet uitgaan. Ze keek hem met haar mooie ogen, waarin weer iets leek te gloeien, verdrietig aan: ‘Ik ben bang dat ik het vuur nog eens verlies.’
Terwijl hij haar probeerde uit te leggen dat in de zomer altijd alle vuren doven, maar dat ze in de winter weer op dienen te laaien als daarvoor streek zij één voor één alle zwavelstokjes af. Alle, op een na...
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten